In deze merkenzaak vordert Puma een inbreukverbod op de zogenoemde b-grond (verwarringsgevaar) en c-grond (bescherming bekende merken), waartegenover Monshoe vervallenverklaring vordert van de beeldmerken van Puma wegens gebrek aan normaal gebruik. De rechtbank (IEPT20220302) heeft de inbreukvorderingen grotendeels toegewezen onder afwijzing van Monshoe’s vorderingen. Dat laatste heeft het hof (IEPT20240409) ook gedaan, maar ook de inbreukvorderingen zijn in appel afgewezen. Beide partijen vechten deze oordelen in cassatie aan.
Het principaal cassatieberoep bestrijdt de wijze waarop het hof inbreuk op de b-grond heeft afgewezen.
Het onvoorwaardelijk ingestelde incidenteel cassatiemiddel van Monshoe bestrijdt dat delen van haar antwoord in incidenteel appel op procedurele gronden buiten beschouwing zijn gelaten en klaagt dat het oordeel over normaal gebruik op onjuiste wijze tot stand gekomen vanwege het buiten beschouwing laten van die passages uit de Memorie van Antwoord in incidenteel hoger beroep.
Verder wordt geklaagd over de maatstaf voor normaal gebruik en de beoordeling van gemeenschappelijke kenmerken uit een ‘familie van merken’.
Ik zie geen van de klachten slagen.
In citaten
- delen van antwoord buiten beschouwing gelaten
4.21 (…) Het niet buiten toepassing laten in het incidenteel appel van materie die in het principaal appel thuishoort, komt in strijd met ons procedurele stelsel, zo is al besproken, dus de reden van het buiten beschouwing laten is ook duidelijk. De klachten falen.
- normaal gebruik onjuiste wijze tot stand/maatstaf
4.32 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof overweegt in rov. 6.8 dat Puma “met productie 65 en de daarin opgenomen verwijzingen naar onder meer haar producties 27, 28, 47, 48 genoegzaam [heeft] toegelicht en onderbouwd dat (tenminste) in deze periode (2015 - 2018) van normaal gebruik van deze beeldmerken sprake is geweest.” Ten aanzien van het gebruik van vergelijkbare merken overweegt het hof dat het zijn oordeel eveneens baseert op productie 65, maar dan “verwijzend naar producties 8, 9, 10 en de als producties 71 tot en met 75 overgelegde jaarverslagen over de periode 2015 tot en met 2019” (rov. 6.8). Vervolgens motiveert het hof zijn oordeel ten aanzien van beide vormen van gebruik met verwijzingen naar (in het bijzonder) prods. 67c, 68 en 71 t/m 75 (rov. 6.9).
4.33 Uit deze producties valt genoegzaam af te leiden welk gebruik het hof in zijn oordeel over ‘normaal gebruik’ heeft betrokken en over welke periode het gaat. Van onvoldoende motiveren op welk gebruik zijn oordeel over normaal gebruik door Puma is gebaseerd, is dan ook geen sprake. Het hof maakt in rov. 6.8 weliswaar geen onderscheid tussen het Benelux-beeldmerk en het Uniebeeldmerk, maar daarmee is het oordeel niet ontoereikend gemotiveerd.
- gemeenschappelijke kenmerken uit merkenfamilie
4.47 Voor zover met deze klacht wordt opgekomen tegen rov. 6.8, berust ook deze klacht op de al besproken onjuiste lezing van het arrest. Ook verder is deze klacht tevergeefs. Kennelijk en niet onbegrijpelijk ziet het hof “dezelfde uitwaaierende basisvorm van de formstrip” als de gemeenschappelijke deler met onderscheidend vermogen. Dat behoefde geen nadere motivering.
4.60 Subonderdeel 3.7 voert ten slotte aan dat Monshoe heeft betwist dat de beeldmerken variaties zijn van het in rov. 3.3 genoemde merk uit 1960, en dat in het licht van het uitgebreide debat over het wel of niet bestaan van gemeenschappelijke kenmerken, het hof niet zonder nadere motivering kon oordelen dat de uitwaaierende hoofdvorm van de formstrip het gemeenschappelijke kenmerk is van de familie.
4.61 De klacht slaagt evenmin. Het hof heeft in rov. 6.8 in wezen geoordeeld dat sprake is van normaal gebruik van de ingeroepen merken met als kernelement de ‘uitwaaierende hoofdvorm’, waardoor het onderscheidend vermogen ten opzichte van de inschrijving niet is gewijzigd. Daarmee zijn de nu door Monshoe in de klacht gememoreerde stellingen door het hof verworpen, hetgeen geen nadere motivering van node had. In gelijke zin s.t. Puma 75.