Artikel 3(1)(d) Row bevat additionele bepaling t.o.v. EOV en Biotechnologierichtlijn

06-01-2014 Print this page
B912688
(Met dank aan Johan Brants en Ellen Crabbe, Brantsandpatents)

NL Octrooicentrum, Advies ex artikel 84 Row inzake NL’819, 18 december 2013.

Enza Zaden is rechthebbende op het Nederlandse octrooi voor een “werkwijze voor het verkrijgen van een plant met een duurzame resistentie tegen een pathogeen”. Verzoekster Agrisemen betwist de geldigheid van het octrooi en heeft hiertoe aangevoerd dat het octrooi als nietig moet worden aangemerkt, omdat het onderwerp van het octrooi betrekking heeft op een werkwijze van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten en de hierdoor verkregen voortbrengselen (artikel 3 lid 1 onder d Row), en omdat het octrooi niet nieuw of inventief is.

NL Octrooicentrum oordeelt dat artikel 3(1)(d) Row niet van toepassing is op conclusie 1 van het octrooi, nu deze conclusie gericht is op een werkwijze voor de identificatie van planten en deze werkwijze niet resulteert in de voortbrenging van planten. Evenmin is voor de exploitatie van de uitvinding volgens conclusie 1 vereist dat eerst een plant wordt voorgebracht.

Artikel 3(1)(d) Row, dat ten opzichte van het EOV en de Biotechnologierichtlijn een additionele bepaling bevat en behalve de werkwijze, ook de voortbrengselen verkregen door een werkwijze van wezenlijk biologische aard uitsluit, is wel van toepassing op conclusies 4 t/m 7 van het octrooi. Binnen de reikwijdte van deze conclusies vallen immers voortbrengselen (cultuurslaplanten, zaden en nakomelingen) die zijn verkregen middels een werkwijze van wezenlijk biologische aard. Hoewel de conclusies (m.u.v. conclusie 6 en 7) als nieuw zijn aan te merken, acht NL Octrooicentrum de conclusies 1-7 niet inventief. Uit de meest nabije stand van de techniek is reeds bekend om nieuwe merkers te identificeren uit wilde sla die gelinkt zijn aan Dm-resistentiegenen uit verschillende koppelingsgroepen en de wilde slasoort L.virosa was ten tijde van de indieningsdatum van het onderhavige octrooi reeds bekend als bron van nieuwe Dm-resistentiegenen. Het advies van NL Octrooicentrum luidt dan ook dat conclusies 4-7 vernietigbaar zijn op grond van artikel 3(1)(d) Row en conclusies 1-7 vernietigbaar zijn wegens gebrek aan inventiviteit.

6.1 […] Artikel 3, eerste lid, onder d Row 1995 bevat, in tegenstelling tot de tekst van het overeenkomstige artikel 53, lid b van het Europees Octrooiverdrag en het overeenkomstige artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b van Richtlijn 98/44/EG (de Biotechnologie Richtlijn) een additionele bepaling. Deze additionele bepaling sluit, behalve de werkwijze, ook de voortbrengselen verkregen door een werkwijze van wezenlijk biologische aard uit. NL Octrooicentrum betreurt dit gebrek aan harmonisatie op het gebied van octrooiwetgeving, maar kan niet aan de tekst van de Nederlandse bepaling voorbij gaan. Nu in Nederland geen jurisprudentie voorhanden is omtrent de uitleg van die additionele bepaling in artikel 3, eerste lid, onder d Row 1995 gaat NL Octrooicentrum vooralsnog uit van de letterlijke tekst van genoemde bepaling, te meer daar de wetsgeschiedenis erop lijkt te wijzen dat dit ook de intentie was van de wetgever.

Lees het advies hier.