Benelux Gerechtshof krijgt nieuwe rechtsprekende bevoegheid

12-02-2013 Print this page
B912106

Brief van minister Timmermans (BuZa), waarin ter stilzwijgende goedkeuring het Protocol tot wijziging van het Verdrag van 31 maart 1965 betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof wordt overgelegd, 6 februari 2013, 33 453, nr. 1.

“De kerntaak van het Benelux-Gerechtshof, zoals neergelegd in artikel 1, eerste lid, van het Verdrag, is de gelijkheid te bevorderen bij de toepassing van gemeenschappelijke regels die in de Benelux Unie gelden. Op basis van het Verdrag heeft het Hof thans de bevoegdheid prejudiciële vragen van nationale rechters over de gemeenschappelijke regels te beantwoorden. Daarnaast heeft het Hof de bevoegdheid de drie regeringen van de Beneluxlanden desgevraagd te adviseren en treedt het op als administratief rechter ten behoeve van het personeel van Benelux-organisaties. Op een belangrijk terrein van gemeenschappelijk recht in de Benelux Unie, namelijk het merkenrecht, bleek zich uiteenlopende nationale rechtspraak te ontwikkelen. Op Aanbeveling van de Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad (nr. 733/2 van 18 juni 2005) werd daarom besloten het Benelux-Gerechtshof de bevoegdheid tot rechtspraak te geven. (...)

Het nieuwe artikel 1, tweede en vierde lid, voorziet in algemene zin in de mogelijkheid om, steeds per verdrag, rechtsprekende bevoegdheid aan het Hof toe te kennen. Het op 25 februari 2005 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) (Trb. 2005, 96) zal daartoe te zijner tijd worden gewijzigd. (...)  De nieuwe artikelen 9bis en 9ter omschrijven de nieuwe rechtsprekende bevoegdheid en vormen de kern van de verdragswijziging. Artikel 9quater betreft de bestaande bevoegdheid als administratief rechter.

Indien aan het Hof per verdrag rechtsprekende bevoegdheid wordt toegewezen, heeft het deze bevoegdheid in twee instanties. Met het oog daarop was het nodig binnen het Hof onafhankelijk van elkaar functionerende kamers in te richten. De Eerste Kamer, waarin raadsheren van de hoogste rechtscolleges van de drie landen (voor Nederland de Hoge Raad) zitting hebben, blijft op basis van artikel 6 van het Verdrag de bestaande bevoegdheden uitoefenen en spreekt voorts in hoogste instantie (cassatie) recht over uitspraken die de Tweede Kamer (voor Nederland bemenst door rechters uit de gerechtshoven) op grond van artikel 9bis doet. De Derde Kamer is belast met administratieve rechtspraak."

Lees hier meer.