B9 11383. Gerecht EU, 27 juni 2012, zaak T-167/08, Microsoft Corp. Tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Mededinging. "De beschikking van de Europese Commissie waarbij aan Microsoft een dwangsom is opgelegd omdat deze haar concurrenten niet onder redelijke voorwaarden toegang verleende tot de informatie inzake de compatibiliteit, wordt door het Gerecht grotendeels bevestigd. Het Gerecht verlaagt het bedrag van de dwangsom echter van 899 tot 860 miljoen EUR om rekening te houden met het feit dat de Commissie Microsoft had toegestaan om tot 17 september 2007 beperkingen betreffende de verkoop van „open source”-producten op te leggen."
Microsoft stelde dat de Europese Commissie onjuist heeft gehandeld door aan Microsoft een dwangsom op te leggen teneinde haar te dwingen om "redelijke" prijsvoorwaarden toe te passen bij het ter beschikking te stellen van de technische documentatie inzake compatibiliteit, zonder eerst te specificeren welke prijsvoorwaarden volgens de Commissie "redelijk" zouden zijn, opdat Microsoft zou kunnen weten wat zij moest doen om de oplegging van een dergelijke dwangsom) te voorkomen. Microsoft vorderde daarom de nietigverklaring van de bestreden beschikking.
Het Gerecht EU bevestigt de beschikking echter grotendeels en verwerpt het alle argumenten die Microsoft heeft aangevoerd om de nietigverklaring ervan te verkrijgen:
Het Gerecht is allereerst van mening dat, “gelet op de door Microsoft en de Commissie opgestelde beginselen voor het bepalen van de prijs, Microsoft in staat was uit te maken of de vergoedingen die zij tot 21 oktober 2007 vroeg om toegang te geven tot de informatie inzake de compatibiliteit, redelijk waren in de zin van de beschikking van 2004. Ten tweede is het Gerecht van oordeel dat het criterium inzake het innoverende karakter van de betrokken technologieën – dat de Commissie hanteert voor het beoordelen of de door Microsoft gevorderde vergoedingen redelijk zijn – van dien aard is dat het aangeeft of die vergoedingen de intrinsieke waarde van een technologie weerspiegelingen dan wel veeleer de strategische waarde ervan, te weten de waarde die louter en alleen voortvloeit uit de compatibiliteit met de besturingssystemen van Microsoft. Ten derde heeft de Commissie in dit verband het recht om het innoverende karakter van deze technologieën te beoordelen aan de hand van de bestanddelen van dit karakter, te weten de nieuwheid en de uitvinderswerkzaamheid;
Microsoft heeft overigens niet aangevoerd dat het ondenkbaar is de uitvinderswerkzaamheid met betrekking tot de betrokken technologieën in andere context te beoordelen dan in die van het verlenen van een octrooi. Door in het kader van de onderhavige zaak het innoverende karakter van de in de bestreden beschikking aan de orde zijnde technologieën te beoordelen aan de hand van de begrippen nieuwheid en uitvinderswerkzaamheid wordt geen afbreuk gedaan aan de waarde van de intellectuele-eigendomsrechten, de zakengeheimen of andere vertrouwelijke informatie in het algemeen, en wordt a fortiori een innoverend karakter ook niet als voorwaarde gesteld om aan te nemen dat een product of een informatie onder een dergelijk recht valt of in het algemeen een zakengeheim vormt. Een dergelijke aanpak heeft uitsluitend tot doel, te voorkomen dat Microsoft in strijd met het in de beschikking van 2004 geformuleerde verbod een vergoeding ontvangt die de strategische waarde van de informatie inzake de compatibiliteit weerspiegelt.
Verder is het Gerecht van mening dat Microsoft het oordeel van de Commissie dat 166 van 173 door de informatie inzake de compatibiliteit bestreken technologieën niet innoverend waren, niet heeft weten te ontkrachten.
Het Gerecht vindt het echter nodig het bedrag van de dwangsom te herzien om rekening te houden met een brief van de Commissie van 1 juni 2005. In die brief aanvaardde de Commissie dat Microsoft tot aan de uitspraak van het arrest van het Gerecht in zaak T-201/04, te weten tot 17 september 2007, de verkoop kon beperken van de producten die haar „open source”-concurrenten op basis van niet door een octrooi bestreken en niet innoverende informatie inzake de compatibiliteit hadden ontwikkeld. Ofschoon als motivering voor de bestreden beschikking de onredelijkheid van de door Microsoft gevraagde vergoedingen en niet de weigering om toegang te geven tot de informatie inzake de compatibiliteit was aangevoerd, zou het feit dat de Commissie, gelet op de litispendentie, had aanvaard dat Microsoft gedurende een bepaalde periode een gedragslijn volgde die kon leiden tot de handhaving van een situatie die de beschikking van 2004 beoogde weg te nemen, in aanmerking kunnen worden genomen in het kader van de vaststelling van de ernst van de bestrafte gedraging en dus in het kader van de vaststelling van het bedrag van de dwangsom.
In dit verband oordeelt het Gerecht dat, gelet op de inhoud van het dossier, de in de brief van 1 juni 2005 geboden mogelijkheid slechts een marginaal deel van de gevolgen van de bestrafte gedraging heeft veroorzaakt, zodat het bedrag van de aan Microsoft opgelegde dwangsom moet worden bepaald op 860 miljoen EUR.”
Lees het arrest hier. Persbericht Gerecht hier.