Conclusie A-G HvJEU: geen sterker artistiek karakter vereist voor auteursrechtelijke bescherming van werk van toegepaste kunst

Print this page 14-05-2019
B915743

Zaak C-683/17: Cofemel  v G-Star. Conclusie A-G Szpunar van 2 mei 2019. Prejudiciële vragen Supremo Tribunal de Justiça, Portugal.

 

Auteursrecht. G-Star heeft onder een van haar merken spijkerbroeken van het model Arc en sweaters en T-shirts van het model Rowdy in de handel gebracht. G-Star heeft bij een Portugese rechter in eerste aanleg aangevoerd dat bepaalde modellen van spijkerbroeken, sweaters en T-shirts die door Cofemel in de handel werden gebracht, een ontwerp hadden die identiek was aan dat van haar modellen Arc en Rowdy. De vordering van G-star heeft hoofdzakelijk tot doel Cofemel te gelasten een einde te maken aan alle inbreuken op haar auteursrechten.

 

De verwijzende rechter merkt op dat hoewel werken van toegepaste kunst, industriële tekeningen en modellen en designwerken die een artistieke creatie vormen in de nationale bepaling duidelijk zijn opgenomen in de lijst van auteursrechtelijk beschermde werken, in de bepaling niet is gespecificeerd welk gehalte van oorspronkelijkheid nodig is opdat deze werken een dergelijke bescherming zouden genieten.

 

A-G Szpunar stelt dat artikel 2, onder a), van de Auteursrechtrichtlijn, zich ertegen verzet dat industriële tekeningen en modellen slechts auteursrechtelijk worden beschermd indien zij een sterker artistiek karakter vertonen dan normaliter wordt geëist van andere categorieën van werken. Het auteursrecht van de Unie bevat geen rechtsgrond voor een dergelijke beperkingen, aangezien werken van toegepaste kunst beschermd zijn als eigen intellectuele scheppingen van de maker, net zoals andere categorieën van werken. Ook wordt overwogen dat de specifieke criteria die voor modellenbescherming gelden niet op de auteursrechtelijke bescherming mogen worden toegepast.

 

De A-G geeft het Hof in overweging om de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:

 

“1) Artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, zoals uitgelegd door het Hof, verzet zich ertegen dat industriële tekeningen en modellen slechts auteursrechtelijk worden beschermd indien zij een sterker artistiek karakter vertonen dan normaliter wordt geëist van andere categorieën van werken.

 

2) Bij een verzoek om auteursrechtelijke bescherming van een industriële tekening of een industrieel model moet de nationale rechter rekening houden met de specifieke doelstellingen en mechanismen van het auteursrecht, zoals de bescherming, niet van ideeën, maar van de uitdrukkingen ervan, en de criteria om van een inbreuk op de exclusieve rechten te kunnen spreken. De nationale rechter mag de specifieke criteria die voor de modellenbescherming gelden niet toepassen op de auteursrechtelijke bescherming.”

 

Lees de conclusie hier