Conclusie A-G HvJEU over digitaal ontsluiten werken die niet meer toegankelijk zijn voor publiek

08-07-2016 Print this page
B914538

Zaak C-301/15: Soulier en Doke. Prejudiciële vraag Conseil d’État (Frankrijk). Conclusie A-G M. Wathelet

Auteursrecht. Verzoeksters, twee auteurs, komen op tegen een Franse wetswijziging waarmee wordt beoogd niet meer commercieel geëxploiteerd en daardoor voor het publiek ontoegankelijk geworden schriftelijk erfgoed te ontsluiten door de digitale exploitatie te bevorderen van werken die zijn verveelvoudigd vóór 1 januari 2001 in Frankrijk en welke niet meer op de markt worden gebracht en niet meer verkrijgbaar zijn op papier of digitaal.

Het Franse ministerie van cultuur benoemt een auteursrechtenorganisatie die de bevoegdheid krijgt om toestemming te verlenen voor de reproductie of weergave in digitale vorm van deze boeken na een termijn van zes maanden, gerekend vanaf het moment van inschrijving ervan in een openbare, onder de Bibliotèque National de France vallende gegevensbank. Het recht van verzet van de auteurs wordt beperkt tot zes maanden na de inschrijving in de gegevensbank.

Volgens verzoeksters is deze wetswijziging in strijd met de Berner Conventie met name vanwege de ontbrekende rechten voor de rechtsopvolgers van de auteurs. De beperking van het uitsluitende recht van de auteur van een beschermd werk in de zin van de Conventie om toestemming te verlenen voor reproductie voldoet niet aan de ‘driestappentoets’ van de Conventie, de TRIPsovereenkomst, de WIPO en van RL 2001/29.

De verwijzende rechter legt de volgende vraag voor aan het HvJEU:
“Verzetten bovengenoemde bepalingen [artikelen 2 en 3] van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij zich ertegen dat een regeling als die welke in punt 1 van deze beslissing is onderzocht, de uitoefening van het recht om toestemming te verlenen voor de reproductie en de weergave in digitale vorm van “niet meer verkrijgbare boeken” toevertrouwt aan erkende auteursrechtenorganisaties, terwijl zij de auteurs van deze boeken of hun rechthebbenden de mogelijkheid biedt die uitoefening onder de door haar bepaalde voorwaarden te beletten of te beëindigen?"

A-G Wathelet concludeert dat de artikelen 2 onder a en 3 lid 1 van richtlijn 2001/29 zich verzetten tegen een regeling die erkende auteursrechtorganisaties belast met de uitoefening van het recht om de reproductie en de weergave in digitale vorm van “niet meer verkrijgbare boeken” toe te staan, ook al biedt zij de auteurs of de rechthebbende, onder bepaalde door haar vastgestelde voorwaarden.

Naar de mening van de A-G vereisen artikel 2 onder a en artikel 3 lid 1 van de genoemde richtlijn de uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de auteur voor iedere reproductie of iedere mededeling aan het publiek van zijn werk, ook in digitale vorm. Deze toestemming kan niet worden vervangen door een stilzwijgende toestemming of een vermoeden van overdracht waartegen de auteur zich binnen een gestelde termijn zou moeten verzetten. Het feit dat de auteur zijn werk niet volledig exploiteert, omdat het bijvoorbeeld niet verspreid wordt onder het publiek, verandert zijn uitsluitend rechten om de reproductie van zijn werk aan het publiek toe te staan of te verbieden, niet. De uitsluitende rechten blijven bestaan, ondanks dat ze niet door de auteursrechthebbende worden gebruikt.

Lees de conclusie hier.

Lees het bericht met de prejudiciële vraag hier.