Conclusie A-G HvJEU over doorgifte van tv-uitzending via ‘live streaming’
10-09-2016 Print this page
Zaak C‑275/15: ITV Broadcasting e.a. Court of Appeal of England and Wales – Verenigd Koninkrijk. Conclusie A-G H. Saugmandsgaard Øe.
De prejudiciële vragen zijn gesteld door de verwijzende instantie in het kader van een geding dat is ingesteld door commerciële televisiezenders die stellen dat hun auteursrechten worden geschonden door diensten die gebruikers in staat stellen om televisie-uitzendingen rechtstreeks en kosteloos te ontvangen door middel van ‘live streams’.
Dit geding is het Hof niet onbekend. Op 7 maart 2013 heeft het Hof geoordeeld dat de wederdoorgifte die deze diensten verzorgen een “mededeling aan het publiek” is in de zin van artikel 3 lid 1 van de auteursrechtrichtlijn (IEPT20130307). De rechter in eerste aanleg heeft vervolgens vastgesteld dat de aanbieders van de streamingdiensten inbreuk maakten op de auteursrechten van verzoekers. Op enkele betrokken uitzendingen echter, konden de aanbieders zich beroepen op een bepaling van het recht van het Verenigd Koninkrijk die de wederdoorgifte van bepaalde uitzendingen binnen het ontvangstgebied ervan via de kabel toestaan.
Verzoekers zijn hiertegen in beroep gegaan, welke gerechtelijke instantie het Hof de volgende vragen stelt:
“Met betrekking tot de uitlegging van artikel9 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (hierna: "richtlijn”), en in het bijzonder van de zin 'Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name [...] toegang tot de kabel van omroepdiensten':
Laat de geciteerde zin toe dat een nationale bepaling verder wordt toegepast met een werkingssfeer van het begrip „kabel” als omschreven in het nationale recht of wordt de werkingssfeer van dat deel van artikel9 bepaald door de betekenis van “kabel” als omschreven in het Unierecht?
Indien “kabel” in artikel9 wordt bepaald door het Unierecht, wat betekent dit begrip dan? In het bijzonder:
a) Heeft het een technologisch specifieke betekenis die is beperkt tot traditionele kabelnetwerken die worden beheerd door gewone kabeldienstaanbieders?
b) Zo niet, heeft het dan een technologisch neutrale betekenis die functioneel vergelijkbare via internet doorgegeven diensten omvat?
c) Omvat het hoe dan ook straalverbindingen tussen vaste zendmasten?
Is de geciteerde zin van toepassing (1) op bepalingen die van kabelnetwerken vereisen dat zij bepaalde uitzendingen wederdoorgeven of (2) op bepalingen die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel toelaten (a) indien de wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen bestemd waren en/of (b) indien de wederdoorgifte uitzendingen betreft op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten?
Indien de werkingssfeer van “kabel” in artikel9 wordt bepaald door het nationale recht, gelden dan voor de bepaling van nationaal recht de Unierechtelijke beginselen van evenredigheid en van een billijk evenwicht tussen de rechten van houders van auteursrechten, de rechten van kabeleigenaars en het algemeen belang?
Is artikel9 beperkt tot de bepalingen van nationaal recht die golden op de datum waarop tot de richtlijn was besloten, de datum waarop die in werking trad of de uiterste datum voor omzetting ervan, of is dat artikel ook van toepassing op latere bepalingen van nationaal recht die betrekking hebben op toegang tot de kabel van omroepdiensten?”
A-G Saugmandsgaard Øe geeft het Hof in overweging om bovenstaande vragen als volgt te beantwoorden:
“Artikel 9 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat niet binnen de werkingssfeer van die bepaling valt een regeling die de wederdoorgifte van uitzendingen via de kabel zonder de toestemming van de houders van auteursrechten toestaat indien die wederdoorgifte simultaan gebeurt en beperkt is tot de gebieden waarvoor de uitzendingen waren bestemd, ongeacht of de wederdoorgifte betrekking heeft op uitzendingen op zenders waarop bepaalde openbaredienstverplichtingen rusten.”
Lees de conclusie hier.