Conclusie A-G in langlopende 'Dagboek moeder Vaatstra'-zaak

Print this page 01-10-2019
B915853

Procesrecht - Handhaving. In de langlopende zaak met betrekking tot (het auteursrecht op) de dagboeken van de moeder van Marianne Vaatstra heeft A-G de Bock conclusie genomen. Eiser klaagt dat de advocaat van verweerster niet over een toereikende procesvolmacht beschikt en in de tweede plaats klaagt eiser over dat de stelplicht en bewijslast bij het naleven van het gebod tot vernietiging van de boeken bij hem ligt. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

 

A-G de Bock benadrukt vooraleerst dat wanneer een advocaat namens een partij procedeert, de rechter ervan moet uitgaan dat de advocaat over een toereikende procesvolmacht beschikt. Voor de kantonprocedure is dit neergelegd in art. 80 lid 3 Rv. De stelplicht en de bewijslast van het bestaan van een toereikende procesvolmacht rust op de gemachtigde van degene die zich op het bestaan van een volmacht beroept. Uit rov. 3.5.1. volgt niet dat het hof het voorgaande heeft miskend. Uit de door verweerster overgelegde verklaring blijkt in voldoende mate dat mr. Moszkowicz over een toereikende procesvolmacht beschikt. Daarmee faalt dit subonderdeel.

 

Ook de hierop voortbordurende klachten, die er samenvattend op neer komen dat eiseres niet degene is die de procedure is gestart en dat zij onder druk is gezet door haar ex-man en kinderen om deze procedure te starten en dat het hof eiser had moeten toelaten tot bewijslevering, slagen niet. Eiser heeft geen belang meer bij zijn verzoek om verweerster onder ede te horen, nu zij in cassatie een onder ede afgelegde verklaring in het geding heeft gebracht, waaruit blijkt dat zij zelf in alle procedures opdracht heeft gegeven aan mr. Moszkowicz om voor haar op te treden tegen eiser.

 

Lees de volledige conclusie met uiteenzetting van de klacht in onderdeel 2, hier.

 

Zie ook IEPT20131218 (rechtbank), IEPT20150317 (hof) IEPT20160217 (Kg verjaarde dwangsommen) en IEPT20160824 (bodem)