Conclusie A-G over auteursrechtelijke bescherming van technisch bepaalde vouwfiets

Print this page 06-02-2020
B915960

Zaak C- 833/18: Brompton Bicycle v Chedech. Conclusie A-G Campos Sánchez-Bordona.

 

Auteursrecht. De verwijzende rechter moet zich uitspreken over de vraag of een fiets waarvan het vouwsysteem vroeger octrooirechtelijk beschermd was, maar waarvan het octrooirecht thans is vervallen, als een auteursrechtelijk beschermbaar werk kan worden beschouwd. Hierbij wordt volgens de A-G met name gevraagd of een dergelijke bescherming is uitgesloten wanneer de vorm van het voorwerp “noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken” en op basis van welke criteria hij die beoordeling moet maken. In de conclusie worden onder meer de Cofemel-zaak (IEPT20190912) en de Doceram-zaak (IEPT20180308) besproken. In citaten:

 

“62. Het Hof heeft deze kwestie reeds behandeld in verband met de bescherming van het auteursrecht op computerprogramma’s.(36) [...]

 

65. Uit die uitspraken kan worden afgeleid dat het in het algemeen niet mogelijk is om werken (voorwerpen) van toegepaste kunst waarvan de vorm wordt bepaald door de functie ervan auteursrechtelijk te beschermen. Indien de verschijningsvorm van een dergelijk werk uitsluitend wordt bepaald door de technische functie ervan als bepalende factor, kan het werk niet auteursrechtelijk worden beschermd.(40) […]

 

76. In het licht van die argumenten, waarvan de analoge toepassing op het hoofdgeding mijns inziens gepast is, kan een antwoord worden gegeven aan de verwijzende rechter. Die rechter lijkt aan te geven dat de verschijningsvorm van de litigieuze fiets noodzakelijk was om de technische uitkomst te verkrijgen(54), hetgeen een feitelijke beoordeling vormt, waarvoor alleen hij bevoegd is. Indien hij daarmee bedoelt dat er een exclusieve verhouding bestaat tussen de verschijningsvorm en de functionaliteit, welke verhouding ik reeds ter sprake heb gebracht, zou het antwoord op zijn eerste vraag moeten zijn dat er geen auteursrechtelijke bescherming kan worden verleend. […]

 

83. In het arrest DOCERAM, waarin de conclusie van de advocaat-generaal in essentie is bevestigd (de verwijzende rechter haalt zowel dat arrest als de conclusie van de advocaat-generaal aan)(57), is in dat verband uitspraak gedaan in de volgende bewoordingen:

 

– „voor de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, [...] moet worden [nagegaan] of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken, en [...] in dit verband [is] niet doorslaggevend [...] of er alternatieve modellen zijn”(58);

 

– evenwel belet niets de rechter om rekening te houden met „de vraag of er alternatieve modellen zijn waarmee dezelfde technische functie kan worden vervuld”(59). Die laatste factor is dus geen beslissende factor, maar slechts een aanvullend beoordelingscriterium.

 

84. Uit dat arrest blijkt dan ook duidelijk dat het feit dat er alternatieve oplossingen bestaan, irrelevant is voor de beoordeling of er een exclusieve verhouding bestaat tussen de kenmerken van de verschijningsvorm en de technische functie van het product. Het arrest impliceert evenwel niet dat die alternatieve oplossingen geen impact kunnen hebben als factor op basis waarvan er kan worden erkend dat er ruimte voor intellectuele creativiteit bestaat die tot hetzelfde technische resultaat kan leiden.

 

87. Tegen de achtergrond dat het niet zozeer om de toepassing van de regel op een bepaalde zaak als wel om de uitlegging ervan gaat, moet er in elk geval op worden gewezen dat het antwoord op dit deel van de tweede prejudiciële vraag voor het Hof uit het arrest DOCERAM voortvloeit.

 

88. De uiteengezette oplossing met betrekking tot modellen kan mutatis mutandis worden toegepast om het gehalte aan oorspronkelijkheid te achterhalen van „werken” met een industriële toepassing waarvoor de bedenkers auteursrechtelijke bescherming willen verkrijgen. […]

 

90. Met de wil om een technisch resultaat te bereiken kan echter wel rekening worden gehouden bij de beoordeling van de verhouding tussen verschijningsvorm en functionaliteit. Logischerwijze hebben producenten van voorwerpen die onder een octrooi vallen dat publiek domein is geworden, geen ander doel dan het bereiken van het verwachte technische resultaat.(63) […]

 

100. Tot slot wil ik hieraan toevoegen dat de mogelijke weigering van auteursrechtelijke bescherming niet verhindert dat er een beroep wordt gedaan op andere regels ter bestrijding van slaafse of parasitaire nabootsing. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, kan de wetgeving inzake oneerlijke mededinging, hoewel zij niet volledig geharmoniseerd is op Unieniveau(67), een oplossing bieden voor dat ongewenste verschijnsel.(68)

 

102. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Tribunal de l’entreprise de Liège (ondernemingsrechtbank Luik, België) als volgt te beantwoorden:

 

„1) De artikelen 2 tot en met 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij bieden geen auteursrechtelijke bescherming voor de schepping van producten met een industriële toepassing waarvan de verschijningsvorm uitsluitend door hun technische functie wordt bepaald.

 

2) Bij de beoordeling of de specifieke kenmerken van de verschijningsvorm van een product uitsluitend door de technische functie van dat product worden bepaald, moet de bevoegde rechter rekening houden met alle relevante objectieve omstandigheden van elke zaak, waaronder het bestaan van een vroeger octrooi of modelrecht op hetzelfde product, de doeltreffendheid van de verschijningsvorm om het technische resultaat te bereiken en de wil om dat te bereiken.

 

3) Wanneer de technische functie de enige bepalende factor voor de verschijningsvorm van het product is, is het niet relevant dat er andere alternatieve verschijningsvormen bestaan. De omstandigheid dat de gekozen verschijningsvorm belangrijke niet-functionele elementen bevat die zijn bepaald door de vrije keuze van de maker van het product, kan wel relevant zijn.”

 

Lees de conclusie hier.