Conclusie A-G over gezondheidsclaims in uitingen slechts bestemd voor beroepsbeoefenaars
18-02-2016 Print this page
Zaak C-19/15: Verband Sozialer Wettbewerb. Prejudiciële vragen Landgericht München - Duitsland. Conclusie A-G H. Saugmandsgaard Øe
Reclamerecht. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen een vereniging die de commerciële belangen van haar leden behartigt en een bedrijf dat een voedingssupplement verkoopt over beweringen in een reclamebrief die dat bedrijf uitsluitend aan artsen heeft verzonden. Het Hof wordt voor het eerst verzocht om te bepalen of de vereisten van die verordening van toepassing zijn wanneer voedings‑ en gezondheidsclaims voor een levensmiddel dat bestemd is om als zodanig aan consumenten te worden geleverd, in commerciële mededelingen staan die niet rechtstreeks aan die laatsten zijn gericht, maar uitsluitend aan beroepsbeoefenaars.
Het Landegericht München heeft het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
"Moet artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1924/2006 aldus worden uitgelegd dat de bepalingen van deze verordening ook van toepassing zijn op voedings‑ en gezondheidsclaims die in commerciële mededelingen worden gedaan in reclameboodschappen voor levensmiddelen die als zodanig bestemd zijn om aan de eindverbruiker te worden geleverd, wanneer de commerciële mededeling of reclameboodschap zich uitsluitend op beroepsbeoefenaars richt?”
A-G Saugmandsgaard Øe geeft het hof als overweging de vraag als volgt te beantwoorden:
"Artikel 1, lid 2, van verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen dient aldus te worden uitgelegd dat de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn op voedings‑ en gezondheidsclaims voor levensmiddelen, die bestemd zijn om als zodanig aan de eindverbruiker te worden geleverd, in commerciële mededelingen die uitsluitend aan beroepsbeoefenaars zijn gericht, maar tot doel hebben via hen indirect de consument te bereiken.
39. De wetgever heeft immers geen enkel onderscheid aangebracht naargelang de hoedanigheid van de geadresseerde van mededelingen die de voedings‑ en gezondheidsclaims bevatten die in die verordening worden bedoeld. De enige vereisten die erin worden gesteld betreffen het onderwerp en de aard van die mededelingen. Deze moeten ten eerste betrekking hebben op levensmiddelen die bestemd zijn om aan een eindverbruiker te worden geleverd en ten tweede „commercieel” zijn door de vorm aan te nemen van hetzij de etikettering en presentatie van dergelijke levensmiddelen, hetzij – zoals in het hoofdgeding – de daarvoor gemaakte reclame. Derhalve dient het product zelf noodzakelijkerwijs voor consumenten bestemd te zijn, en niet de mededeling waarvan het het onderwerp is.
41. Al bevat verordening nr. 1924/2006 geen expliciete definitie van dit criterium, uit andere handelingen van Unierecht blijkt, zoals de Commissie aangeeft, dat het commerciële karakter in het algemeen verwijst naar een mededeling die tot doel heeft om „direct” of zelfs „indirect” producten en diensten economisch te promoten en zo de beslissingen van mogelijke kopers te beïnvloeden.
43. Beroepsbeoefenaars kunnen in het algemeen een aanzienlijke invloed uitoefenen op consumenten die zich tot hen wenden, en dit des te meer wanneer het om beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg gaat, aan wie patiënten meer vertrouwen en een sterke geloofwaardigheid toekennen."
Lees de conclusie hier.
Lees het eerdere bericht over de prejudiciële vragen hier.