Conclusie A-G over toepassing artikel 843a Rv

Print this page 19-02-2020
B915969

Heraeus v Biomet. Conclusie A-G Wesseling-van Gent. 

 

Heraeus (Groep) produceert onder meer botcement dat wordt gebruikt om kunstgewrichten met het lichaam te verbinden. Biomet c.s. houden zich bezig met onder meer de productie en verkoop van kunstgewrichten en aanverwante producten, zoals botcement. Het door Heraeus geproduceerde botcement Palacos bevatte voorheen een ingrediënt van het merk Rebofacin, dat wijst op de aanwezigheid van het antibioticum gentamicine. Biomet c.s. heeft een licentie voor dit ingrediënt. Deze licentie was uitgegeven door het bedrijf Merck. Heraeus is gestopt met het gebruik van Rebofacin na verbreking van de zakelijke samenwerking met Biomet c.s. in 2005. Heraeus heeft conservatoir bewijsbeslag laten leggen in kantoren van Biomet c.s. in Dordrecht en Breda. De gevorderde inzage werd door de voorzieningenrechter (IEPT20170313) afgewezen en de afwijzing werd door het hof bekrachtigd. A-G Wesseling-van Gent concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Hieronder volgt een aantal citaten:

 

“2.4 In cassatie wordt onder meer geklaagd dat het hof het bepaaldheidsvereiste van art. 843a Rv ten onrechte geïsoleerd heeft toegepast, los van Heraeus' rechtmatig belang bij inzage in de bescheiden met het oog op bewijslevering van de tussen partijen bestaande rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad. Aldus wordt de vraag opgeworpen of er een bepaalde samenhang bestaat – dan wel dient te bestaan – tussen de in het eerste lid van art. 843a Rv genoemde voorwaarden ‘rechtmatig belang’ en ‘bepaalde bescheiden’. […]

 

2.51 Gelet op het voorgaande, ben ik dan ook van oordeel dat het hof het bepaaldheidsvereiste van art. 843a Rv niet geïsoleerd heeft toegepast. Dat het hof niets zou hebben vastgesteld over het rechtmatig belang van Heraeus bij inzage in de bescheiden, is een gevolg van het oordeel van het hof dat de bescheiden waarop de inzagevordering betrekking heeft, onvoldoende zijn bepaald, zodat niet meer wordt toegekomen aan een afzonderlijke beoordeling van het rechtmatig belang. Zoals uit het juridisch kader volgt, zijn er voor toewijsbaarheid van de vordering op grond van art. 843a lid 1 Rv immers drie cumulatieve voorwaarden (zie hiervoor onder 2.3), zodat de andere voorwaarden geen afzonderlijke bespreking meer behoeven indien aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan. […]

 

2.60 Deze door Heraeus geformuleerde maatstaf zet m.i. de deur te wijd open voor de opvatting dat voor toewijzing van de inzagevordering in het geval afbakening van de vordering moeilijk te geven is, voldoende is dat nauwelijks een vorm van specificatie wordt gegeven van de bescheiden waarin inzage wordt verlangd.

 

Ik meen dat een partij die toewijzing verlangt van haar inzagevordering als bedoeld in art. 843a Rv niet ontkomt aan enige specificatie van de bescheiden. Dit is ook van belang met het oog op de beoordeling van het rechtmatig belang. De begrippen ‘rechtmatig belang’ en ‘bepaalde bescheiden’ hebben een bepaalde samenhang omdat een concrete aanduiding van de bescheiden van belang is voor een duidelijke omschrijving waarop aanspraak wordt gemaakt en getoetst kan worden of degene die daarop aanspraak maakt, ook een rechtmatig belang daarbij heeft (zie hiervoor onder 2.31). Het hof heeft m.i. daarom niet blijk gegeven van een van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de maatstaf voor het vaststellen of sprake is van (voldoende) bepaalde bescheiden in de zin van art. 843a Rv. […]

 

2.75 In een geval waarin bij het leggen van het bewijsbeslag een enorme hoeveelheid data is gekopieerd, zal er veelal geen andere mogelijkheid bestaan voor het vaststellen van de (bepaalde) bescheiden waarop de inzagevordering betrekking moet hebben, dan het digitaal doorzoeken van de data aan de hand van zoektermen.

 

Indien, zoals in deze zaak, wordt gevorderd dat de data met behulp van een deskundige die zich tot geheimhouding heeft verplicht, worden doorzocht op de aanwezigheid van (bepaalde) bescheiden, zal deze deskundige een lijst met zoektermen dienen te worden verschaft.

 

Dit vraagt mijns inziens om een nadere invulling van de bepaaldheidseis van art. 843a Rv in een dergelijke ‘digitale’ casus. De bepaaldheidseis heeft dan een tweede dimensie, die betrekking heeft op de zoektermen die worden gebruikt om vervolgens de ‘bepaalde bescheiden’ vast te stellen, alsmede om het rechtmatig belang bij inzage in die bescheiden te kunnen toetsen. Het is m.i. onvermijdelijk dat deze zoektermen ook voldoende moeten zijn gespecificeerd teneinde te kunnen worden ingezet in het kader van de inzagevordering van art. 843a Rv.”

 

Lees de conclusie hier.