Conclusie A-G Vlas tot vernietiging arrest hof met betrekking tot immuniteit EOO
04-10-2016 Print this page
Conclusie A-G Vlas, 30 september 2016, EOO v VEOB en SUEPO
Procesrecht. Immuniteit. Stakingsrecht. Cassatie tegen IEPT20150217 . De VEOB en SUEPO zijn vakbonden van de Europese Octrooi Organisatie vorderde bij de voorzieningenrechter (IEPT20140114) onder meer de EOO te gebieden de schendingen van het recht op het staken en het recht op collectief onderhandelen te beëindigen. Het EOO beroept zich op immuniteit De voorzieningenrechter oordeelt dat de EOO zich niet op immuniteit kon beroepen, maar de vorderingen worden toch afgewezen omdat toewijzing ertoe zou leiden dat de andere regels zouden gelden voor de Rijswijkse vestiging dan in de andere vestigingen van de EOO in Europa.
Het EOO is hiertegen in beroep gekomen. Het hof oordeelt dat de EOO zich niet kan beroepen op immuniteit, aangezien de vakbonden geen alternatieve rechtsmiddelen ter beschikking hebben. Het beroep van EOO op de stelling dat zij als internationale organisatie autonoom is op personeelsgebied, dat de interne regels van EOO een eigen rechtsorde vormen en dat de nationale rechter zich daarin niet mag mengen faalt. De autonomie gaat niet zo ver dat EOO algemeen in Europa erkende grondrechten zou mogen schenden zonder dat partijen als VEOB daartegen een rechtsmiddel zouden kunnen instellen. Het hof concludeert daarom dat de voorzieningenrechter de zaak inhoudelijk had moeten beoordelen, wat er ook van zij van de door de voorzieningenrechter bedoelde “versplintering”, aangezien de vorderingen betrekking hebben op EOO als geheel en alle werknemers van EOO en EOO rechtsgeldig voor de Nederlandse rechter is gedaagd.
De EOO heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld. De Staat is toegelaten zich in deze cassatieprocedure te voegen aan de zijde van EOO. A-G Vlas concludeert tot vernietiging van het omstreden arrest:
“2.17 Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beantwoording van de vraag of de kern van het recht op toegang tot de rechter is aangetast, (mede) als toetsingscriterium te hanteren of de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten ‘manifestly deficient’ is. Deze maatstaf, die onder meer is toegepast in de beslissing van het EHRM van 30 juni 2005 inzake Bosphorus/Ireland, is niet van toepassing in de onderhavige zaak, waarin moet worden onderzocht of een beroep op immuniteit van jurisdictie door het EOO een ongeoorloofde beperking oplevert van het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM. In de zaak Bosphorus/Ireland ging het om de vraag in hoeverre een verdragsstaat aansprakelijk kan worden gesteld voor een eventuele schending van het EVRM in het kader van de maatregelen die door die Staat worden genomen ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit het lidmaatschap van (destijds) de EG. Hierbij speelt een rol dat over schendingen door een internationale organisatie die geen partij is bij het EVRM, maar is opgericht door een staat die dat wel is, niet rechtstreeks bij het EHRM kan worden geklaagd. De staat die bevoegdheden aan een internationale organisatie heeft overgedragen blijft in bepaalde situaties echter aansprakelijk. Ter beoordeling van de staatsaansprakelijkheid hanteert het EHRM het vereiste van ‘equivalente bescherming’. Schiet de veronderstelde bescherming die de organisatie biedt in een concreet geval werkelijk tekort (‘the protection of Convention rights was manifestly deficient’), dan is de staat aansprakelijk.
2.18 Het middel klaagt in onderdeel 6 in de kern nog dat het hof in rov. 3.7 en 3.10 de immuniteit als processueel voorrecht heeft miskend door dit afhankelijk te stellen van materiële stellingen en vorderingen van VEOB en SUEPO ten gronde.
2.19 Het EHRM heeft onderstreept dat een beroep op immuniteit van jurisdictie procedureel van aard is. Het enkele beroep op een gestelde bijzondere ernstige schending van een norm van internationaal recht, of zelfs een norm van ius cogens kan een beroep op immuniteit van jurisdictie niet terzijde schuiven. Het honoreren van het beroep op immuniteit van jurisdictie door de overheidsrechter betekent dan ook geenszins dat daarmee geoordeeld wordt dat schending van materiële rechten geoorloofd is. Uit het voorgaande volgt dat de aard van de in het geding zijnde materiële rechten en de gestelde ernst van de schending niet dienen te worden meegenomen in de toets of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan in het kader van de beoordeling of een beroep op immuniteit van jurisdictie moet worden gehonoreerd. Ik meen dat het onderdeel dan ook in zoverre slaagt.”
Lees de conclusie hier.