VODN en VGPCN vertegenwoordigen autobedrijven die dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis hebben gesloten. Zij vorderen in deze zaak een declaratoir dat al deze overeenkomsten franchiseovereenkomsten zijn in de zin van art. 7:911 lid 1 BW. De rechtbank heeft de vorderingen van VODN en VGPCN afgewezen, kort gezegd vanwege het ontbreken van een voor franchise vereist vergoedingselement. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd, maar de vordering op andere gronden afgewezen.
Het hof heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat de dealer- en reparateurovereenkomsten van (al) de betrokken dealers en reparateurs moeten worden aangemerkt als franchiseovereenkomsten in de zin van art. 7:911 lid 1 BW. Weliswaar zijn er elementen in de rechtsverhoudingen tussen de dealers en reparateurs enerzijds en Stellantis anderzijds die kunnen passen bij franchiseovereenkomsten, maar er is volgens het hof geen recht op en verplichting tot het exploiteren van een formule van Stellantis die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen van de dealers en reparateurs.
In cassatie klagen VODN en VGPCN dat het hof ten onrechte, dan wel ontoereikend gemotiveerd de dealer- en reparateursovereenkomsten niet (mede) als franchiseovereenkomsten heeft gekwalificeerd. Ik zie de klachten niet slagen.
Het oordeel, dat er in het algemeen geen uniforme identiteit en uitstraling valt te herkennen in het zijn van ‘erkend’ reparateur van Stellantis-merken, is niet onbegrijpelijk. Uit het enkele feit dat reparateurs ‘erkend’ zijn, volgt zonder nadere onderbouwing niet dat zij ‘in het algemeen’ een uniforme uitstraling hebben.