Conclusie AG Hammerstein tot verwerping van beroep in cassatie Staat/Norma

02-12-2013 Print this page
B912647

(Met dank aan Tobias Cohen Jehoram en Vivien Rörsch (De Brauw Blackstone Westbroek), en Christiaan Alberdingk Thijm en Douwe Linders (bureau Brandeis).

Conclusie A-G Hammerstein, 29 november 2013, zaak 12/03239, Staat v Norma.


Auteursrecht. Naburige rechten. Thuiskopievergoeding. Zie ook IEPT20120327 (hof) en IEPT20100623 (rb). In deze zaak gaat het in cassatie met name om de vraag of het hof in bestreden arrest terecht heeft geoordeeld (i) dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door in de bedoelde AMvB’s digitale audiospelers en digitale videorecorders niet als vergoedingsplichtige voorwerpen aan te wijzen onder art. 16c Aw en art. 10(e) Wnr, omdat zulks in strijd is met de Auteursrichtlijn en de in overeenstemming daarmee uit te leggen Auteurswet en WNR, (ii) dat nu de genoemde AMvB’s onrechtmatig zijn jegens belanghebbenden, de Staat uit dien hoofde schadevergoeding is verschuldigd, en (iii) dat art. 1019h Rv niet van toepassing is op een procedure als de onderhavige waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd dat de vijf AMvB’s een onrechtmatige daad opleveren van de Staat en om die reden tevens schadevergoeding wordt gevorderd. De A-G meent van wel en concludeert tot verwerping van het principale en van het (voorwaardelijk) incidentele beroep.

6.2 […] Met andere woorden: de hoogte van de billijke vergoeding hangt ten nauwste samen met de mogelijkheid van gebruik ten behoeve van het voor privédoeleinden kopiëren van beschermd materiaal. Daaruit kan enerzijds de conclusie worden getrokken dat geen heffing mag worden opgelegd als dit gebruik niet aannemelijk is, maar anderzijds ook dat in beginsel geen heffing achterwege mag worden gelaten als dit gebruik in substantiële mate wel moet worden aangenomen. In rov. 47 herhaalt het HvJEU zijn oordeel uit Padawan dat “de conceptie en het niveau van de billijke compensatie in de zin van artikel 5, lid 2, sub b, van richtlijn 2001/29 verband houden met de schade die voor de houders van het uitsluitende reproductierecht resulteert uit de reproductie van hun beschermde werk die zonder hun toestemming voor privégebruik wordt gemaakt”. Ook hieruit volgt naar mijn mening dat het de lidstaten niet is toegestaan zonder een op de bijzondere omstandigheden gebaseerde rechtvaardiging de heffing achterwege te laten op dragers die gebruikt worden voor bedoelde reproductie waaruit schade voortvloeit voor de rechthebbenden. Nu het hof in rov. 3.9 onbestreden heeft vastgesteld dat digitale audiospelers en digitale videorecorders geschikt zijn om beschermd materiaal te reproduceren en dat dit ook in aanzienlijke mate gebeurt6, is zijn oordeel dat daarop heffingen hadden behoren te worden toegepast ter verkrijging van een billijke compensatie, in overeenstemming met de richtlijn. Zulks kan ook worden afgeleid uit HvJ EU 6 februari 2003, zk C-245/007, inzake de uitleg van ar. 8, lid 2 van EEG-Richtlijn 92/100 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, waarin werd geoordeeld “dat het begrip billijke vergoeding in art. 8, lid 2, Richtlijn 92/100 in alle lidstaten uniform moet worden uitgelegd en in dier voege moet worden toegepast dat elke lidstaat op op zijn grondgebied de meest relevante criteria vaststelt (cursief AG) om er binnen de door het gemeenschapsrecht en met name door deze richtlijn gestelde grenzen voor te zorgen dat dit communautaire begrip wordt geëerbiedigd. De omstreden amvb’s zijn in strijd met de beide richtlijnen vastgesteld. Het hof heeft dan ook op begrijpelijke, toereikende en in cassatie niet op juistheid te toetsen gronden geoordeeld dat voor het achterwege laten van de heffing door de Staat geen afdoende rechtvaardiging op grond van bijzondere omstandigheden is gegeven. Ik meen daarom dat alle tegen het bestreden kernoordeel gerichte klachten falen. Ik breng hierbij in herinnering dat de Staat ervoor heeft gekozen het privé-kopiëren in Nederland in ruime mate mogelijk te maken en een resultaatsverplichting heeft om te voorkomen dat de belangen van degenen die daardoor benadeeld worden, op ongerechtvaardigde wijze worden geschaad (de laatste stap van de zogenoemde drie-stappentoets bij het aanvaarden van de uitzondering van art. 5 lid 5 Artl. ). Juist met deze laatste stap of maatstaf zijn de amvb’s niet in overeenstemming.

Lees de conclusie hier.