Conclusie AG HvJEU: gegevensbeschermingsrichtlijn en internetzoekmachines

25-06-2013 Print this page
B912392

Conclusie A-G Jääskinen in de zaak tussen Google Spain en Google Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) over de territoriale werkingssfeer, materiële werkingssfeer en het zogenoemde recht om vergeten te worden van de Gegevensbeschermingsrichtlijn in de context van internetzoekmachines.

De verwijzing is gedaan door de Audiencia Nacional (het hoogste gerechtshof van Spanje) in een geding tussen Google Spain, S.L. en Google, Inc. enerzijds en de Agencia Española de Protección de Datos en Mario Costeja González anderzijds. Het geding betreft de toepassing van de gegevensbeschermingsrichtlijn op een internetzoekmachine die Google als dienstverlener exploiteert. In het hoofdgeding staat vast dat een Spaans dagblad bepaalde persoonsgegevens van de betrokkene heeft gepubliceerd in twee gedrukte edities daterend uit 1998, die later beide in elektronische vorm opnieuw voor het publiek toegankelijk zijn gemaakt. De betrokkene is thans van mening dat deze informatie niet langer getoond moet worden in de zoekresultaten die verschijnen na een zoekactie op basis van zijn voor- en achternaam in de internetzoekmachine van Google.

De aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen vallen in drie groepen uiteen. De eerste groep heeft betrekking op de territoriale werkingssfeer van de Unieregels inzake gegevensbescherming. De tweede groep richt zich op vraagstukken verband houdend met de rechtspositie van de aanbieder van een internetzoekmachine in het licht van de richtlijn, met name vanuit het oogpunt van de materiële werkingssfeer ervan. De derde vraag ten slotte, betreft het zogenoemde recht om vergeten te worden en het vraagstuk of betrokkenen kunnen verzoeken dat sommige of alle hen betreffende zoekresultaten niet langer toegankelijk zijn via de zoekmachine. Al deze vragen, die ook belangrijke aspecten van de bescherming van grondrechten aanroeren, zijn nieuw voor het Hof.

Dit lijkt de eerste zaak te zijn waarin een beroep op het Hof wordt gedaan om de richtlijn uit te leggen in de context van internetzoekmachines, een actueel vraagstuk voor nationale gegevensbeschermingsautoriteiten en rechters in de lidstaten. Zo heeft de verwijzende rechter aangegeven dat een aantal vergelijkbare zaken bij hem aanhangig zijn.

De A-G geeft het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Audiencia Nacional  als volgt te antwoorden:
1)      Verwerking van persoonsgegevens vindt plaats in het kader van de activiteiten van een „vestiging” van de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, wanneer de onderneming die de internetzoekmachine aanbiedt, in een lidstaat ten behoeve van de (bevordering van de) verkoop van advertentieruimte op de zoekmachine een kantoor of dochteronderneming opricht en de activiteiten daarvan gericht zijn op de inwoners van die staat.

2)      Een aanbieder van een internetzoekmachine die met zijn zoekmachine door derden op internet gepubliceerde of geplaatste informatie lokaliseert, automatisch indexeert, tijdelijk opslaat en uiteindelijk volgens een bepaalde volgorde ter beschikking stelt aan internetgebruikers, „verwerkt” persoonsgegevens in de zin van artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46 wanneer die informatie persoonsgegevens bevat.

De aanbieder van de internetzoekmachine kan ten aanzien van zulke persoonsgegevens echter niet worden aangemerkt als „voor de verwerking verantwoordelijke” in de zin van artikel 2, sub d, van richtlijn 95/46, behalve voor zover het de inhoud van de index van zijn zoekmachine betreft, mits de aanbieder van deze dienst geen persoonsgegevens indexeert of archiveert tegen de aanwijzingen of verzoeken van de uitgever van de webpagina in.

3)      Het recht op uitwissing en afscherming van gegevens in de zin van artikel 12, sub b, en het recht van verzet als bedoeld in artikel 14, sub a, van richtlijn 95/46 verlenen de betrokkene niet het recht zich tot de exploitant van een zoekmachine te wenden teneinde indexering te verhinderen van op webpagina’s van derden rechtmatig gepubliceerde informatie die zijn persoon betreft, daarbij als zijn wens te kennen gevend dat deze informatie niet aan internetgebruikers bekend wordt, wanneer hij meent dat deze informatie hem kan benadelen of wanneer hij deze aan de vergetelheid wenst prijs te geven.

Lees de conclusie hier.