Conclusie AG HvJEU: Gemeenschapsmodel en kennisname van ingewijden in betrokken sector

Print this page 05-09-2013
B912488

Conclusie A-G Wathelet in de zaak tussen Gautzsch Großhandel tegen MBM Joseph Duna: vragen m.b.t. de uitleg van de begrippen „ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn” in de artikelen 7(1) en 11(2) GMoV en „bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn”, zoals in artikel 7(1) GMoV. Tevens een aantal procedurele vragen (bewijslast, verjaring, rechtsverwerking en toepasselijk recht).

Met zijn zes prejudiciële vragen verzoekt het Bundesgerichtshof het Hof om uitlegging van de artikelen 7, lid 1, 11, lid 2, en 89, lid 1, sub a en d, van het Gemeenschapsmodellenverordening (GMoV). Het Hof dient zich voor het eerst uit te spreken over het begrip „ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn” in de artikelen 7, lid 1, en 11, lid 2, van de verordening, alsook over de bewoordingen „bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Gemeenschap werkzaam zijn”, zoals die in artikel 7, lid 1, van de verordening worden gebruikt (eerste en tweede vraag). Tevens wordt het Hof verzocht om beantwoording van een aantal procedurele vragen (bewijslast, verjaring en rechtsverwerking), alsook over het toepasselijke recht (derde tot en met zesde vraag). Gelet op het voorgaande geeft de A-G het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesgerichtshof te beantwoorden als volgt:

1)      Artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen dient aldus te worden uitgelegd dat een model bij een normale gang van zaken redelijkerwijs ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, zodra afbeeldingen van dit model zijn gedistribueerd aan handelaars die actief zijn in die sector.

2)      Artikel 7, lid 1, eerste zin, van verordening nr. 6/2002 dient aldus te worden uitgelegd dat een gemeenschapsmodel, ofschoon het zonder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding is bekendgemaakt aan derden, bij een normale gang van zaken niet redelijkerwijs ter kennis kan zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector die in de Europese Unie werkzaam zijn, wanneer het slechts voor één enkele onderneming van de betrokken sector beschikbaar is gesteld of het enkel is tentoongesteld in een tentoonstellingsruimte van een onderneming die niet in de Europese Unie is gevestigd, buiten het gebruikelijke waarnemingsveld van de analisten van de betrokken markt.

3)      Artikel 19, lid 2, van verordening nr. 6/2002 dient aldus te worden uitgelegd dat het geen enkele regel bevat betreffende de bewijslast. In een situatie zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding staat het evenwel aan de houder van het niet-ingeschreven model om het bewijs te leveren dat sprake is van de omstandigheden waarin het bij dit artikel vastgestelde verbodsrecht kan worden uitgeoefend, door aan te tonen dat het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model.

4)      Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling op dit gebied dient in de interne rechtsorde van elke lidstaat te worden vastgesteld of het in de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 neergelegde recht om het namaken een niet-ingeschreven model te beletten, kan verjaren, waarbij in voorkomend geval in een nadere regeling daarvoor moet worden voorzien, met inachtneming van het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel.

5)      Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling op dit gebied dient in de interne rechtsorde van elke lidstaat te worden vastgesteld of voor het in de artikelen 19, lid 2, en 89, lid 1, sub a, van verordening nr. 6/2002 neergelegde recht om het namaken een niet-ingeschreven model te beletten, sprake kan zijn van rechtsverwerking, waarbij in voorkomend geval in een nadere regeling daarvoor moet worden voorzien, met inachtneming van het gelijkwaardigheids‑ en het doeltreffendheidsbeginsel.

6)      Artikel 89, lid 1, sub d, van verordening nr. 6/2002 dient aldus te worden uitgelegd dat de vorderingen tot vernietiging [van nagemaakte goederen], informatieverstrekking en schadevergoeding, onder het nationale recht vallen, met inbegrip van het internationaal privaatrecht van de lidstaat waar de handelingen die inbreuk maken of dreigen te maken, zijn verricht met de betrokken goederen.

Lees de conclusie hier.