Conclusie AG HvJEU in oppositiezaak tegen woordteken "BIMBO DOUGHNUTS"

23-01-2014 Print this page
B912716

Conclusie van A-G Mengozzi in de zaak tussen Bimbo SA tegen BHIM: hogere voorziening tegen arrest GEU waarin toewijzing oppositie tegen inschrijving woordteken "BIMBO DOUGHNUTS" op grond van Spaanse woordmerk "DOUGHNUTS" is bevestigd.

Merkenrecht. Met de hogere voorziening in de onderhavige zaak verzoekt Bimbo om vernietiging van het arrest van het Gerecht EU (zie B9 11728), waarin de toewijzing door het BHIM van de oppositie tegen de inschrijving van het woordteken “BIMBO DOUGHNUTS” op grond van het Spaanse woordmerk “DOUGHNUTS” voor banketbakkerswaren is bevestigd. Bimbo stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aan het bestanddeel “doughnuts” een zelfstandige onderscheidende plaats te geven in het aangevraagde merk en door de rechtspraak van het HvJEU, in het bijzonder het Medion-arrest, onjuist uit te leggen en toe te passen. Voorts komt Bimbo op tegen het feit dat het Gerecht in het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar geen rekening zou hebben gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval. De A-G geeft het Hof in overweging de hogere voorziening af te wijzen.

29. Dit gezegd zijnde ben ik van mening dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 97 van het bestreden arrest een verband te leggen tussen het feit dat het bestanddeel „doughnuts” in aangevraagde merk een zelfstandige onderscheidende plaats heeft, en de mate waarin het onderscheidend vermogen heeft en de omstandigheid dat het niet met het andere bestanddeel van het merk versmelt tot een begripsmatig afzonderlijk geheel. Ten eerste moet dat punt immers worden gelezen tegen de achtergrond van hetgeen het Gerecht reeds had vastgesteld betreffende het vermogen van het bestanddeel „doughnuts” om de aandacht van het publiek te trekken en om dus door het publiek zelfstandig te worden waargenomen, alsook betreffende de mate waarin het kan bijdragen tot de door het merk opgeroepen totaalindruk (in het bijzonder de punten 7981, 85, 86 en 92). Ten tweede heeft het Gerecht, zoals duidelijker zal blijken in het kader van het onderzoek van het tweede onderdeel van het enige middel in hogere voorziening, uit de vaststelling dat het hierboven bedoelde bestanddeel een onderscheidende en zelfstandige inneemt, niet automatisch afgeleid dat er verwarringsgevaar bestond.

37. Uit een lezing van het bestreden arrest die globaal is, en niet selectief zoals rekwirante voorstelt, blijkt namelijk dat het Gerecht het bestaan van verwarringsgevaar niet heeft afgeleid uit de loutere vaststelling dat het bestanddeel „doughnuts” in het aangevraagde merk een zelfstandige onderscheidende plaats heeft, maar zich daartoe in het kader van een globale beoordeling op een groot aantal factoren heeft gebaseerd, in overeenstemming met de rechtspraak die het Gerecht in punt 51 van zijn arrest zelf heeft aangehaald.

41. In het kader van de globale beoordeling van het verwarringsgevaar heeft het Gerecht rekening gehouden met de mate van visuele en fonetische overeenstemming tussen de vergeleken tekens, die gemiddeld werd geacht, de gelijkheid van de waren (punt 91), het gemiddelde onderscheidend vermogen van het oudere merk (punt 92) (punten 9597), de aard van de betrokken waren en het eerder lage aandachtsniveau van het publiek op het tijdstip van de aankoop (punt 99). Op basis van al deze factoren, in het bijzonder de gemiddelde visuele en fonetische visuele overeenstemming tussen de tekens en de gelijkheid van de waren, kwam het Gerecht ten slotte tot de conclusie dat er sprake was van verwarringsgevaar.

Lees de conclusie hier.