Conclusie AG HvJEU over begrip handelaar in richtlijn oneerlijke handelspraktijken

10-07-2013 Print this page
B912426

Conclusie A-G Bot in de zaak tussen BKK Mobil Oil tegen Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs over de vraag of een met een taak van algemeen belang belaste publiekrechtelijke instelling, zoals een ziekenfonds, als ‘handelaar’ in de zin van de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken kan worden gekwalificeerd wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt.

Met deze prejudiciële vraag verzoekt het Bundesgerichtshof (Duitsland) het Hof om het begrip „handelaar” in de zin van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken uit te leggen en op die manier de werkingssfeer van de daarin opgenomen regels af te bakenen. Meer bepaald is de vraag of misleidende reclame die een met een taak van algemeen belang belaste publiekrechtelijke instelling, zoals een ziekenfonds, verspreidt, een oneerlijke handelspraktijk van een handelaar ten aanzien van een consument kan vormen en dus kan worden verboden door de lidstaten.

Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen BKK Mobil Oil Körperschaft des öffentlichen Rechts, een Duits ziekenfonds, en de Zentrale zur Bekämpfung des unlauteren Wettbewerbs eV (vereniging ter bestrijding van oneerlijke mededinging) over reclame die BKK onder haar leden had verspreid en die als misleidend werd beschouwd.

Het is duidelijk wat het belang is van het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter. Het gaat erom het toepassingsgebied van de richtlijn af te bakenen en in het bijzonder te bepalen welke concrete omvang de Uniewetgever heeft willen geven aan de begrippen handelaar en onderneming, die hij zonder onderscheid door elkaar gebruikt. Het doel is duidelijk, namelijk overeenkomstig de in artikel 169 VWEU neergelegde doelstelling een hoog niveau van consumentenbescherming te verzekeren, door te waarborgen dat de in de richtlijn bedoelde oneerlijke handelspraktijken efficiënt en samenhangend worden bestreden, en met name te verhinderen dat de consument geen bescherming geniet wegens de rechtsvorm die de betrokken entiteit aanneemt. [...]

Ik zal namelijk betogen dat de aard en het gewicht van het algemeen belang waarop de bescherming van de consument berust, rechtvaardigen dat de betrokken bepalingen van toepassing kunnen zijn op het gedrag van een instelling die, ongeacht haar rechtsvorm of de haar toebedeelde taak van algemeen belang, haar plicht tot professionele toewijding niet nakomt en in haar sector gebruikmaakt van oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. Ik geef het Hof bijgevolg in overweging te oordelen dat zoals elke andere marktdeelnemer met een dergelijke activiteit een instelling zoals die in het hoofdgeding kan worden gekwalificeerd als „handelaar” in de zin van de betrokken bepalingen wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt. Deze beoordeling is gebaseerd op de rechtspraak van het Hof inzake het begrip onderneming in het mededingingsrecht, de bewoordingen van artikel 2, sub b, van de richtlijn en het doel van deze richtlijn.

Gelet op een en ander geeft de A-G het Hof in overweging de vraag van het Bundesgerichtshof als volgt te beantwoorden:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), juncto artikel 2, sub d, van richtlijn 2005/29, moet aldus worden uitgelegd dat een publiekrechtelijke instelling die is belast met een taak van algemeen belang, zoals een ziekenfonds, kan worden gekwalificeerd als „handelaar” wanneer zij commerciële reclame onder consumenten verspreidt.

Lees de conclusie hier.