Conclusie AG HvJEU over positie en uitlegging van nationaal recht door Unierechter
28-11-2013 Print this page
Conclusie van A-G Bot in de zaak van het BHIM tegen National Lottery Commission (NLC).
Merkenrecht. Procesrecht. Hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht EU van 13 september 2012 (T-404/10, zie B9 11640), waarbij het Gerecht een beslissing van de kamer van beroep heeft vernietigd. Het BHIM heeft het Gemeenschapsbeeldmerk (dat een hand met twee gekruiste vingers een lachend gezicht weergeeft) van NLC nietig verklaard, aangezien Mediatek Italia had aangetoond dat er een ouder en door het Italiaans recht beschermd auteursrecht bestond dat nagenoeg identiek is aan het litigieuze merk. Het Gerecht heeft deze beslissing vervolgens vernietigd, omdat het meende dat er sprake was van een onjuiste uitlegging van het Italiaans recht.
De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid nader te omschrijven welke positie het nationaal recht in de rechtsorde van de Europese Unie inneemt en te bepalen volgens welke richtsnoeren de Unierechter in geschillen inzake gemeenschapsmerken zijn toezicht op de inhoud en de uitlegging van dat recht moet uitoefenen. In het eerste middel in hogere voorziening rijst de vraag of, wanneer het Gerecht uitspraak moet doen op een beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM, het ambtshalve kan nagaan wat de inhoud is van de bepalingen van nationaal positief recht die worden aangevoerd door de partij die nietigverklaring van een gemeenschapsmerk vordert op grond van een door dat nationaal recht beschermd ouder recht.
Volgens de A-G veronderstelt de uitoefening van het volledige wettigheidstoezicht, dat de taak van het Gerecht is, dat het Gerecht voor het geschil een oplossing kan aanreiken die in overeenstemming is met het nationale positief recht en daartoe desnoods ambtshalve kan nagaan wat de inhoud, de toepassingsvoorwaarden en de draagwijdte zijn van de regels van nationaal recht waarop de partijen zich ter ondersteuning van hun betoog beroepen. Wanneer de Unierechter dit ambtshalve nagaat, zal hij het beginsel van hoor en wederhoor moeten eerbiedigen. Aangezien het Gerecht dat beginsel in casu niet heeft nageleefd, geeft de A-G het Hof in overweging de hogere voorziening gegrond te verklaren en het bestreden arrest te vernietigen.
85. Uiteindelijk kunnen uit de bewoordingen en de opzet van de toepasselijke wetgeving alsmede uit de uitlegging ervan door het Hof twee belangrijke besluiten worden getrokken: een eerste betreffende de positie van het nationaal recht en een tweede betreffende het ambt van de Unierechter.
86. In de eerste plaats kan het nationaal recht, dat weliswaar moet worden gesteld en bewezen door de partij die nietigverklaring vordert, niet worden aangemerkt als een feit zonder meer. De verwijzing naar het nationaal recht in verordening nr. 207/2009 verleent aan dat recht juridische waarde, waardoor het als het ware wordt opgenomen in het geheel van wettelijke handelingen van de Unie en onderworpen wordt aan het volledige wettigheidstoezicht van het Gerecht.
87. In de tweede plaats zijn het ambt van de bevoegde instanties van het BHIM en het ambt van de Unierechter, wanneer zij met de toepassing van het nationaal recht te maken hebben, niet onderworpen aan een neutraliteitsbeginsel waardoor hun rol louter passief zou blijven en het hun verboden zou zijn de inhoud van het recht waarop een beroep wordt gedaan, in welke mate ook te onderzoeken.
89. Mijns inziens veronderstelt de uitoefening van de volledige wettigheidscontrole die het Gerecht moet verrichten, dat het Gerecht het geding kan beslechten in overeenstemming met het nationale positief recht en daartoe, desnoods ambtshalve, kan nagaan wat de inhoud, de toepassingsvoorwaarden en de draagwijdte zijn van de regels van nationaal recht waarop de partijen ter onderbouwing van hun betoog een beroep doen.
94. Benadrukt zij dat de bevoegdheid om ambtshalve inlichtingen over het relevante nationaal recht in te winnen geenszins ertoe strekt een eventueel verzuim op te vangen van de verzoeker bij de bewijsvoering van de inhoud van het nationaal recht, waarvan de bewijslast op hem rust. Integendeel, het gaat erom de Unierechter in staat te stellen na te gaan of het gestelde en tot bewijs aangevoerde nationaal recht relevant is. Wanneer een ernstig onderzoek zou worden verboden, zou dit uiteindelijk erop neerkomen dat de bevoegde instanties van het BHIM verworden tot gewone kamers voor inschrijving van het nationaal recht dat de verzoeker heeft aangedragen.
95. Bijgevolg heeft het Gerecht mijns inziens terecht onderzocht, door ambtshalve inlichtingen over de inhoud van het relevante Italiaans recht in te winnen, of de kamer van beroep van dat recht een juiste uitlegging had gegeven.
112. Het beginsel van hoor en wederhoor verleent niet alleen elke procespartij het recht om kennis te nemen van de stukken en de opmerkingen die door de tegenpartij aan de rechter zijn voorgelegd en hierover haar standpunt kenbaar te maken. Het omvat eveneens het recht om kennis te nemen van de elementen die de rechter ambtshalve in aanmerking wil nemen in zijn beslissing, en om daarover haar standpunt kenbaar te maken.
115. Bijgevolg dient te worden onderzocht of in casu de partijen in de loop van de procedure al dan niet de mogelijkheid hebben gekregen om hun opmerkingen te maken over de door het Gerecht ambtshalve opgeworpen elementen.
116. Zoals blijkt uit de door het Gerecht op 7 februari 2012 gezonden brieven en de daarbij gevoegde vragen, hebben de partijen, hoewel zij hun standpunt over de bepalingen van artikel 2704 van het Italiaans burgerlijk wetboek kenbaar hebben kunnen maken, daarentegen niet de gelegenheid gekregen hun opmerkingen te maken over het arrest van 14 juni 2007.
117. Uit de lezing van de punten 32, 35, 36, 39 en 40 van het bestreden arrest blijkt duidelijk dat de inhoud van het arrest van 14 juni 2007 in de redenering van het Gerecht een doorslaggevende rol heeft gespeeld en dat de oplossing anders zou zijn geweest indien het Gerecht daarmee geen rekening had gehouden. Het is omdat het Gerecht heeft vastgesteld dat de kamer van beroep geen rekening had gehouden met deze rechtspraak, volgens welke het tegenbewijs van de echtheid van de poststempel kan worden bewezen zonder dat een procedure van betichting van valsheid behoeft te worden ingesteld, dat het heeft geoordeeld dat de kamer van beroep meer belang had kunnen hechten aan de door NLC gestelde anomalieën en dat de litigieuze beslissing derhalve moest worden vernietigd.
118. Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht het beginsel van hoor en wederhoor, dat voortvloeit uit de vereisten van het recht op een eerlijk proces, heeft geschonden.
Lees de conclusie hier.