Conclusie AG HvJEU: strengere nationale regelgeving dan richtlijn oneerlijke handelspraktijken

12-07-2013 Print this page
B912427

Conclusie A-G Wathelet in de zaak tussen RLvS en Stuttgarter Wochenblatt: vraag of strengere nationale regelgeving, inhoudende een verbod om tegen betaling in een blad publicaties op te nemen of te laten opnemen die niet met het woord "advertentie" zijn aangeduid, in strijd is met de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.

Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing stelt het Bundesgerichtshof (Duitsland) het Hof een vraag over de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2005/29/EG en van punt 11 van bijlage I bij deze richtlijn. Dit verzoek is op 22 augustus 2012 bij het Hof ingediend in het kader van een geding tussen RLvS Verlagesgesellschaft mbH en Stuttgarter Wochenblatt GmbH over de mogelijkheid om RLvS met een beroep op § 10 van het Landespressegesetz Baden-Württemberg van 14 januari 1964 (perswet van de deelstaat Baden-Württemberg) te verbieden om tegen betaling in een blad publicaties op te nemen of te laten opnemen die niet met het woord „advertentie” („Anzeige”) zijn aangeduid.

Met deze vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de omvang van de door de richtlijn oneerlijke handelspraktijken gerealiseerde harmonisatie en over de mogelijkheid voor de lidstaten om maatregelen vast te stellen die strenger zijn dan die waarin het recht van de Unie voorziet, wanneer zij een hoger niveau van consumentenbescherming willen waarborgen of een andere doelstelling van algemeen belang willen nastreven, zoals de bescherming van een grondrecht. Volgens de Duitse regering gaat het in het onderhavige geval om de vrijheid en de pluriformiteit van de media (waarvan artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie de eerbiediging voorschrijft).

Prejudiciële vraag: Verzetten artikel 7, lid 2, van de richtlijn  en punt 11 van bijlage I daarbij juncto de artikelen 4 en 3, lid 5, van deze richtlijn zich tegen de toepassing van een nationale bepaling - in casu § 10 Landespressegesetz Baden-Württemberg - die niet alleen beoogt de consument te beschermen tegen misleiding maar ook ertoe strekt de onafhankelijkheid van de pers te beschermen, en in tegenstelling tot artikel 7, lid 2, van de richtlijn en punt 11 van bijlage I daarbij iedere publicatie tegen vergoeding verbiedt - ongeacht het doel dat daarmee wordt nagestreefd - indien deze publicatie niet met het woord "advertentie" is aangeduid, tenzij reeds uit de indeling en de opmaak ervan blijkt dat het een advertentie betreft?

Gelet op een en ander geeft de A-G het Hof in overweging de door het Bundesgerichtshof gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”), dient aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale bepaling als die waarom het in het hoofdgeding gaat, die, voor zover zij van toepassing is op publicaties die oneerlijke handelspraktijken in de zin van artikel 5 van richtlijn 2005/29 vormen, elke uitgever van periodiek drukwerk die voor een commerciële publicatie een vergoeding heeft ontvangen, bedongen of toegezegd gekregen, verplicht om deze publicatie duidelijk aan te duiden met het woord ‚advertentie’, tenzij de publicatie reeds door vorm of indeling algemeen herkenbaar is als advertentie, en die niet uitsluitend dient ter bescherming van de consument, maar ook andere doeleinden nastreeft.

Enkele overwegingen:

40.      Uit deze vergelijking blijkt dat, daar waar de Uniewetgever geen specifieke aanduiding voorschrijft, de betrokken Duitse wettelijke bepaling in beginsel het gebruik van het woord „advertentie” verlangt. Dat dit woord in sommige gevallen kan worden weggelaten – namelijk wanneer de publicatie reeds door vorm en indeling algemeen herkenbaar is als advertentie – doet niets af aan het feit dat de betrokken nationale bepaling op een veel dwingender en dus striktere wijze dan de richtlijn oneerlijke handelspraktijken voorschrijft hoe de uitgever dient te handelen. Volgens punt 11 van bijlage I bij deze richtlijn levert een advertorial namelijk slechts een oneerlijke handelspraktijk op wanneer het feit dat een handelaar voor de publicatie heeft betaald, niet duidelijk uit de inhoud of uit duidelijk door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt. Het gaat hier in mijn ogen om dezelfde situatie als in § 10 LPresseG wordt bedoeld.

41.      Voor de redenering en de daaraan verbonden conclusie maakt het naar mijn mening evenmin verschil dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregel ook is ingegeven door de wens om de objectiviteit en de neutraliteit van de pers te waarborgen.

42.      Zeker, het Hof heeft erkend dat het behoud van de pluriformiteit van de pers een dwingende eis in de zin van artikel 36 VWEU kan vormen, die een beperking van het vrij verkeer van goederen kan rechtvaardigen. Het heeft echter ook gepreciseerd dat „ook al zou de nationale bepaling die in het hoofdgeding aan de orde is voornamelijk gericht zijn op de instandhouding van de pluriformiteit van de pers [...], de mogelijkheid voor de lidstaten om op hun grondgebied maatregelen vast te stellen of te handhaven die tot doel of tot gevolg hebben dat handelspraktijken als oneerlijk worden gekwalificeerd om redenen die verband houden met de instandhouding van de pluriformiteit van de pers, niet behoort tot de in de punten 6 en 9 van de considerans en artikel 3 van de richtlijn [oneerlijke handelspraktijken] genoemde afwijkingen die niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen”.

43.      Dit geldt naar mijn mening te meer waar de nationale wetgever, door in afwijking van punt 11 van bijlage I bij de richtlijn oneerlijke handelspraktijken het gebruik van een bepaald woord verplicht voor te schrijven, in zekere zin een wijziging aanbrengt in de lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd. Dit is hem niet toegestaan, want volgens artikel 5, lid 5, van deze richtlijn mag de in bijlage I opgenomen lijst van handelspraktijken alleen worden aangepast door wijziging van de richtlijn zelf. Het is met andere woorden de richtlijn zelf die de lidstaten uitdrukkelijk verbiedt om de in bijlage I opgenomen lijst eenzijdig uit te breiden.

Lees de conclusie hier.