Conclusie AG: Online dienstaanbieders maken (geen tijdelijke) reproducties
27-03-2026 Print this pageZaak C-579/24 Austro Mechana et AKM
Uit de samenvatting minbuza.nl:
Op grond van artikel 17, lid 2, van richtlijn 2019/790 moet een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content toestemming krijgen van rechthebbenden in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29, wanneer zij niet op commerciële basis handelen of indien hun activiteit geen significante inkomsten genereert. De verwijzende rechter wil weten of bij het delen van de content, zoals het uploaden door de gebruikers van content en/of de mededeling aan het publiek door aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content, een ‘reproductie’ in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/29 ontstaat waarvoor toestemming verkregen moet worden van de rechthebbenden. De verwijzende rechter twijfelt omdat in artikel 17, lid 1, niets gezegd wordt over reproducties. Aansluitend rijst de vraag wie de eventueel vereiste toestemming moet verkrijgen: de gebruiker of de dienstaanbieder. Ten slotte is het de vraag of rechthebbenden het reproductierecht aan een collectieve beheerorganisatie kunnen toekennen.
Gestelde vragen B9 16733:
I. Moet het Unierecht, in het bijzonder artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG en artikel 17, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/790 alsmede artikel 9 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Berner Conventie), aldus worden uitgelegd dat een aanbieder van een onlinedienst voor het delen van content als bedoeld in artikel 2, punt 6, van richtlijn (EU) 2019/790, die door gebruikers geüploade werken en andere materialen opslaat, naast een handeling bestaande in een mededeling aan het publiek (of beschikbaarstelling voor het publiek) in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG, tevens een reproductie in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG verricht of deze aan hem kan worden toegerekend en dat hij daartoe de afzonderlijke toestemming moet verkrijgen van de in artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechthebbenden?
II. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet het Unierecht, in het bijzonder artikel 17, leden 1 en 2, alsmede artikel 1, lid 2, en artikel 2, punt 6, van richtlijn (EU) 2019/790, aldus worden uitgelegd dat een reproductietoestemming die door aanbieders van onlinediensten is verkregen voor het delen van content in de zin van artikel 2, punt 6, van richtlijn (EU) 2019/790, ook van toepassing is op reproductiehandelingen die worden verricht door of zijn toe te rekenen aan gebruikers van dergelijke platforms, mits zij niet worden verricht op commerciële basis of hun activiteit geen significante inkomsten genereert?
III. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:
Moet het Unierecht, in het bijzonder artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG en artikel 17, lid 2, van richtlijn (EU) 2019/790, aldus worden uitgelegd dat gebruikers van het aanbod van aanbieders van onlinediensten voor het delen van content in de zin van artikel 2, punt 6, van richtlijn 2019/790 door het uploaden met het oog op het opslaan en delen van auteursrechtelijk beschermde werken en materialen, reproducties maken in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG en hiervoor toestemming nodig hebben van de in artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechthebbenden?
IV. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:
Moet het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 4, 5 en 16, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/26/EU, aldus worden uitgelegd dat rechthebbenden het reproductierecht krachtens artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG enerzijds en het recht van mededeling aan het publiek krachtens artikel 3 van dezelfde richtlijn anderzijds, individueel en afzonderlijk aan een collectieve beheerorganisatie (of een onafhankelijke beheerentiteit) kunnen toekennen met het oog op licentieverlening krachtens artikel 17, leden 1 en 2, van richtlijn (EU) 2019/790, ofwel om die rechten door verschillende collectieve beheerorganisaties (of onafhankelijke beheerentiteiten) te laten beheren, ofwel om die rechten deels individueel te beheren?
Antwoord HvJEU (English is op het moment van schrijven enige taaloptie):
(1) Article 2 of [InfoSoc] must be interpreted as meaning that the making of digital copies of works or other subject matter on the computer servers of online content-sharing service providers that are technically required in order to give the public access to those works or other subject matter on the online platforms operated by those service providers constitute ‘reproductions’, falling within the scope of the exclusive reproduction right protected under that provision. The exemption for ‘temporary acts of reproduction … which are transient or incidental [and] an integral and essential part of a technological process’, provided for in Article 5(1) of that directive, does not apply.
(2) Article 17(1) [DSM] must be interpreted as meaning that it applies to the making of digital copies of works or other subject matter on the servers of online content-sharing service providers that are technically required in order to give the public access to those works or other subject matter. The authorisation which those service providers must obtain from rightholders under that provision in order to communicate to the public or make available to the public works or other subject matter necessarily covers the making of such copies, which cannot be made subject to a separate authorisation.
(3) Article 17(2) [DSM] must be interpreted as meaning that the authorisation obtained by online content-sharing service providers under Article 17(1) of that directive also covers acts carried out by users of the services falling within the scope of Article 2 of Directive 2001/29 that are technically required in order to give the public access to works or other subject matter, when those users are not acting on a commercial basis or where their activity does not generate significant revenues.
Onofficiële vertaling:
(1) Artikel 2 van [InfoSoc] moet aldus worden uitgelegd dat het maken van digitale kopieën van werken of andere inhoud op de computerservers van aanbieders van online diensten voor het delen van inhoud, die technisch noodzakelijk zijn om het publiek toegang te geven tot die werken of andere inhoud op de online platforms die door die aanbieders worden beheerd, ‘reproducties’ vormen die vallen onder het exclusieve reproductierecht dat in die bepaling wordt beschermd. De uitzondering voor ‘tijdelijke reproductiehandelingen … die vluchtig of incidenteel zijn [en] een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technologisch proces’, zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, van die richtlijn, is niet van toepassing.
(2) Artikel 17, lid 1, [DSM] moet aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op het maken van digitale kopieën van werken of andere inhoud op de servers van aanbieders van online diensten voor het delen van inhoud, die technisch noodzakelijk zijn om het publiek toegang te geven tot die werken of andere inhoud. De toestemming die deze dienstverleners op grond van die bepaling van de rechthebbenden moeten verkrijgen om werken of andere inhoud aan het publiek te communiceren of ter beschikking te stellen, omvat noodzakelijkerwijs ook het maken van kopieën, waarvoor geen aparte toestemming vereist is.
(3) Artikel 17(2) [DSM] moet aldus worden uitgelegd dat de toestemming die aanbieders van online diensten voor het delen van inhoud op grond van artikel 17(1) van die richtlijn verkrijgen, ook betrekking heeft op handelingen die worden verricht door gebruikers van de diensten die vallen onder artikel 2 van Richtlijn 2001/29 en die technisch noodzakelijk zijn om het publiek toegang te geven tot werken of andere inhoud, wanneer deze gebruikers niet op commerciële basis handelen of wanneer hun activiteiten geen aanzienlijke inkomsten genereren.
ECLI:EU:C:2026:270 - Zaak C‑579/24