Conclusie AG over openbaarmaking van muzikaal werk in woonkamers van woonzorginstellingen

14-07-2022 Print this page
B916397

Begrip 'openbaarmaking' in Auteurswet en Wet op de naburige rechten, in relatie tot richtlijn 2001/29 en 2006/115. Heffing auteursrecht en billijke vergoeding voor naburig recht t.o.v. exploitant woonzorglocatie. Doet deze woonzorglocatie zelf mededeling van beschermd 'werk' aan het publiek?

 

AUTEURSRECHT

 

Is een woonzorginstelling ter zake van auteursrecht en naburige rechten een vergoeding verschuldigd aan Buma, respectievelijk aan Sena, voor muziek die door middel van een radio, televisietoestel of cd-speler ten gehore wordt gebracht in de gemeenschappelijke huiskamer waar de bewoners overdag verblijven? In cassatiemiddelen van weerszijden wordt onder meer gestreden over de verhouding tussen de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten en, anderzijds, de Europese richtlijnen 2001/29 (auteursrecht in de informatiemaatschappij) en 2006/115 (naburige rechten). 

 

Uitsluitend naar nationaal Nederlands recht beschouwd, gaat het om een betrekkelijk overzichtelijk geschil. De te beantwoorden vraag is: maakt DLZ auteursrechtelijk of naburig-rechtelijk beschermd muzikaal ‘werk’ openbaar door dit via de radio, de TV of de cd-speler in de gemeenschappelijke woonkamer(s) van haar woonzorginstellingen ten gehore te brengen?

3.14 Het HvJ EU heeft, laatstelijk in zijn arrest van 2 april 2020,81 geoordeeld dat de uitdrukking ‘mededeling aan het publiek’ dezelfde betekenis heeft in art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn en art. 8 lid 2 VLN-richtlijn. De vraag of in een concreet geval wel of niet sprake is van een ‘mededeling aan een publiek’ moet dus voor beide richtlijnbepalingen aan de hand van dezelfde, door het HvJ EU beschreven criteria worden beantwoord. Met de eenvormige uitleg van het begrip ‘mededeling aan het publiek’ is niet gezegd dat het toepassingsbereik van beide richtlijnen hetzelfde is. Ik licht dit nader toe.

 

3.15 In de laatste volzin van rov. 6.6 (“Omdat …”) maakt het hof de gevolgtrekking dat indien een ‘mededeling aan het publiek’ de auteursrechten en de naburige rechten treft, (niet alleen voor de auteursrechten, maar) ook voor de naburige rechten geldt dat de harmonisatie volledig is. Die gevolgtrekking kan naar mijn mening niet direct worden gemaakt uit het arrest van het HvJ EU inzake Funke Medien, waarnaar het hof verwijst.82 Uit (de overwegingen 36, 37 en 38 van) dat arrest volgt weliswaar dat art. 3 lid 1 Auteursrechtrichtlijn (i) een ondubbelzinnige definitie bevat van het uitsluitend recht van ‘mededeling aan het publiek’ waarover de houders van het auteursrecht in de EU beschikken en (ii) een geharmoniseerd rechtskader biedt ter waarborging van een hoog en homogeen niveau van bescherming van het recht van mededeling aan het publiek en (iii) een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van de aldaar bedoelde rechten bewerkstelligt. Maar daarmee heeft het HvJ EU nog niet beslist dat die conclusies het toepassingsbereik van de Auteursrechtrichtlijn overstijgen, zoals het hof veronderstelt. In zoverre acht ik de klacht gegrond.
 

3.16 Met de constatering dat de door het hof gekozen benaderingswijze onjuist is, is nog geen eindoordeel gegeven over de vraag of het bestreden oordeel in strijd is met het recht. Het staat een lidstaat in beginsel vrij, gebruik te maken van zijn bevoegdheid om − al dan niet door middel van een eigen definitie van ‘openbaarmaking’ in de Wet op de naburige rechten − in de nationale wet te voorzien in een bescherming van houders van naburige rechten die verder reikt dan op grond van de bepalingen van art. 8 lid 2 VLN-richtlijn is vereist. Daarmee is niet gezegd dat elke lidstaat helemaal de vrije hand heeft. Indien één lidstaat wel gebruik maakt van deze bevoegdheid en andere lidstaten niet, zou daaruit een ongunstige beïnvloeding van de werking van de interne markt kunnen voortvloeien.83 Men kan opperen dat dit mogelijke effect bewust is aanvaard door de Europese regelgever, die het begrip ‘mededeling aan het publiek’ niet heeft eenvormig heeft geregeld voor zover het gaat om een mededeling aan toehoorders die zelf daarbij aanwezig zijn (de situatie die zich voordoet bij het afspelen van cd’s in de gemeenschappelijke woonkamer bij DLZ) en die ten aanzien van het auteursrecht heeft gekozen voor volledige harmonisatie, doch ten aanzien van naburige rechten ervoor koos slechts de minimumbescherming te harmoniseren. Over het antwoord is echter gerede twijfel mogelijk, zodat een vraag van uitleg behoort te worden voorgelegd aan het HvJ EU vóórdat de Hoge Raad een eindbeslissing geeft (zie art. 267 VWEU). In dit verband is ook art. 12 VLN-richtlijn van belang: “De in deze richtlijn geregelde bescherming van de naburige rechten laat onverlet en is op generlei wijze van invloed op de auteursrechtelijke bescherming”. De prejudiciële vraag zou kunnen luiden: of de VLN-richtlijn toelaat dat een lidstaat bescherming verleent aan houders van naburige rechten in gevallen waarin geen sprake is van een ‘mededeling aan het publiek’ in de (eenvormige) betekenis die art. 3 Auteursrechtrichtlijn en art. 8 lid 2 VLN-richtlijn daaraan geven en, zo ja, onder welke voorwaarden.
 

3.17. In de vraagstelling kan onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin uitsluitend een naburig recht aan de orde is en de situatie waarin een combinatie van een auteursrecht en een naburig recht aan de orde is (zie subonderdeel 1.2).
 

AG concludeert in principaal beroep tot vernietiging van het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden (IEPT20210323)
en verwijzing naar een ander gerechtshof. In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep strekt de conclusie tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU over het in alinea 3.16 aangeduide vraagstuk.

 

ECLI:NL:PHR:2022:625