Conclusie AG Verkade in G-Star/Benetton (vormmerkenrecht)

12-03-2013 Print this page
B912173
(Met dank aan Niels Mulder, DLA Piper)

Conclusie A-G Verkade, 8 maart 2013, zaak 11/05558, G-Star v Benetton.

Merkenrecht. Vormmerken. Deze zaak over de Elwood-broeken van G-Star wordt thans voor de derde keer aan de Hoge Raad voorgelegd. Zie IEPT20060908 (tussenarrest HR), IEPT20070920 (HvJEU beantwoording prejudiciële vragen), IEPT20090403 (eindarrest HR) en IEPT20110913 (thans bestreden arrest van het hof). De conclusie van A-G Verkade strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep van G-Star en van het incidentele beroep van Benetton (dat betrekking heeft op twee proceskostenkwesties).

In enkele citaten:

1.3 Ik meen dat het nu te beoordelen principale beroep van G-Star niet slaagt. Ik heb daarin geen klachten aangetroffen die nopen tot beoordeling met het oog op rechtsvorming of rechtseenheid (in de zin van art. 81 lid 1 RO), en dus ook niet tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJEU.

2.3. Uit het samenstel van de arresten van de Hoge Raad van 2006 en 2009 blijkt dat het verwijzingshof (het hof 's-Gravenhage) nog slechts tot taak had om alsnog te beoordelen of Benettons beroep op nietigheid van G-Stars vormmerken op grond van de 'wezenlijke waarde van de waar-uitsluiting' (in navolging van partijen hierna ook wel: 'wwu') opging, en zulks nog - slechts aan de hand van de 'in cassatie niet bestreden, maatstaf [of) de aard van de waar zodanig is dat haar uiterlijk en vormgeving door hun fraaiheid of oorspronkelijk karakter in belangrijke mate haar marktwaarde bepalen' (rov. 3.7.3, tweede alinea, van het arrest van 2006).

3.8.2. Ingevolge art. IX van de Wet van 8 maart 2007 ter uitvoering van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (Stb. 108), zijn de art. 1019 - 1019i Rv niet van toepassing op procedures 'waarvan de dagvaarding of het verzoekschrift vóór of op de dag van inwerkingtreding ervan is uitgebracht'. De datum van inwerkingtreding was: 1 mei 2007.

3.8.3. In rov. 5.4.1 van het arrest HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ 2008, 556 (Erven Endstra/Nieuw Amsterdam c.s.) heeft de Hoge Raad geoordeeld: 'Ten tijde van de uitspraak van het hof (8 februari 2007) was de uiterste implementatiedatum van de Handhavingsrichtlijn (29 april 2006) reeds verstreken, terwijl de wet tot implementatie van die richtlijn eerst nadien (op 1 mei 2007) in werking is getreden. Het hof diende daarom de Nederlandse voorschriften inzake de proceskosten zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen.' Daarmee geldt niet 1 mei 2007, maar 29 april 2006 als overgangsrechtelijke 'peildatum'.

Lees de gehele conclusie hier.