Conclusie P-G van Peursem in Snappet-zaak

29-06-2021 Print this page
Auteur:
Birgit Kunst-Verboon
B916202

(Met dank aan Fulco Blokhuis, Boekx Advocaten en Menno Bruning, Lawyers' Specialist)

 

Auteursrecht  Onrechtmatige daad Databankenrecht - Deze auteursrechtzaak gaat over de vraag of het lesmateriaal van Snappet inbreuk maakt op de Leerroutes van educatieve uitgeverijen en vertoont trekken van een reprise van het standaardarrest IEPT19790105, HR, Heertje v Hollebrand over Economie-schoolboeken.

 

Rechtbank (IEPT20161109, Rb Den Haag, GEU v Snappet) en Hof (IEPT20190723, Hof Den Haag, GEU v Snappet) oordeelden eerder dat van inbreuk geen sprake is.

Centraal staat daarbij dat ideeën, didactiek en lesmethodes op zichzelf niet auteursrechtelijk te beschermen zijn en vrij moeten lopen. Het hof vindt de hier centraal staande Leerroutes van de Uitgeverijen wel (net) over de auteursrechtelijke werkdrempel komen, maar acht  de beschermingsomvang gering en oordeelt dat het lesmateriaal van Snappet geen inbreuk maakt. Door partijen is (incidentieel) cassatieberoep ingesteld. Procureur Generaal van Peursem concludeert tot verwerping van het principaal cassatieberoep en tot verwerping van het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep. In essentie gaat het er in cassatie om of het hof terecht en voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat het lesmateriaal van Snappet geen inbreuk maakt op de Leerroutes van de Uitgeverijen.

 

Tot de grieven van de uitgeverijen hoort de rechtsklacht “dat het hof heeft miskend dat keuzes gebaseerd op een didactische doelstelling niet vergelijkbaar zijn met keuzes ingegeven door een technische doelstelling. Althans geldt dat niet in die mate dat dit meebrengt dat de keuzes van de maker niet louter een didactisch doel mogen dienen of te zeer het resultaat mogen zijn van een door een te behalen didactisch doel beperkte keuze om een werk op te leveren. Dat het auteursrecht niet dient ter bescherming van didactische inzichten en dat het auteurs van leermiddelen vrij moet staan (dezelfde) didactische strategieën toe te passen, impliceert volgens de klacht immers nog niet dat keuzes die een specifiek didactisch doel dienen niet voldoende vrij en creatief kunnen zijn. Dat geldt in elk geval nu er volgens de klacht twee belangrijke verschillen bestaan tussen technisch en didactisch ingegeven keuzes. In de eerste plaats dient het octrooirecht ter bescherming van technische uitvindingen. Het octrooirecht stelt bepaalde eisen aan de octrooieerbaarheid van uitvindingen en daarmee aan de (tijdelijke) monopolisering van techniek. Dat maakt monopolisering van techniek via auteursrechtelijke bescherming onwenselijk. Er bestaat echter geen ander IE-recht dat specifiek strekt ter bescherming van didactische keuzes. In de tweede plaats zijn technische keuzes over het algemeen objectiever vast te stellen dan didactische, die veel eerder een subjectief element bevatten. In elk geval geldt dat, wanneer de uitdrukking van onderdelen van een werk louter door hun didactische functie wordt bepaald, de verschillende manieren om een idee uit te voeren dan niet noodzakelijkerwijs zodanig beperkt zijn dat het idee geheel samenvalt met de uitdrukking ervan en iedere oorspronkelijkheid wordt uitgesloten.

Rechtbank en hof hebben een parallel gezien in de techniekexceptie voor gevallen van werken waarin de “vormgeving” niet wordt gedicteerd door technische vereisten of inzichten, maar door didactische vereisten of inzichten, een parallel die bij leermiddelen ook in mijn ogen bepaald niet onjuist of vergezocht voorkomt (het gaat om objectief bezien onbeschermde elementen, zoals we hebben gezien bij de bespreking van de eerste twee rechtsklachten van subonderdeel 2.1) en overeenstemt met de grondtoon dat ideeën, methoden, stijlen, trends, etc. als zodanig niet auteursrechtelijk te beschermen zijn, net zo min als technische inzichten. Dat wordt niet anders nu er een octrooirechtelijk alternatief voor “didactiekbescherming” ontbreekt en technische keuzes objectiever zouden zijn vast te stellen dan didactische keuzes – dat laatste lijkt mij overigens geen “objectief” gegeven. Het is ook geen één-op-één parallel (identiek) die het hof trekt volgens mij, maar meer een “à la”- parallel (vergelijkbaar met, maar niet per se 100% hetzelfde).”

 

En over de creatieve keuzes van de maker van de leerroutes:

“Subonderdeel 5.3 vervolgt met de rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat het voor auteursrechtelijke bescherming vereiste kenmerk dat het voortbrengsel een eigen intellectuele schepping van de maker is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzes van de maker bij de totstandkoming van het werk, een kenmerk is dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen. Het hof had om te beoordelen of de Leerroutes met betrekking tot de keuze voor de (thema's en de) themawoorden aan de werktoets voldoen, dan ook de (concrete) Leerroutes zelf op dit punt moeten beoordelen. In elk geval ten aanzien van de themawoorden heeft het hof dat niet gedaan. In rov. 5.14-5.17 overweegt het hof niets aan de hand van de werkelijke inhoud van de Leerroutes over de concrete, in de Leerroutes opgenomen themawoorden. Het hof verwijst slechts naar een aantal “secundaire bronnen”, waarin in algemene zin iets wordt verteld over de in de Leerroutes opgenomen themawoorden.

Uit die algemene opmerkingen kan volgens de klacht echter niet worden afgeleid dat de Uitgeverijen zodanig beperkt waren bij het maken van keuzes voor het opnemen van bepaalde themawoorden in de Leerroutes dat niet van voldoende vrije en creatieve keuzes kan worden  gesproken; om tot een oordeel daarover te komen, had het hof concreet moeten ingaan op de specifieke, in de Leerroutes gemaakte keuzes voor themawoorden, bijvoorbeeld aan de hand van het (door het hof in rov. 5.17 genoemde, maar inhoudelijk niet besproken) overzicht van  themawoorden in prod. 74 en de daarover door GEU c.s. ingenomen stellingen.

 

3.55 Deze klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. We hebben in 3.4 onder ogen gezien dat het persoonlijk stempel van de maker moet blijken uit het voortbrengsel zelf, niet uit daarbuiten gelegen omstandigheden. Omgekeerd kan echter wel uit de ontstaansgeschiedenis van het voortbrengsel of andere omstandigheden van het geval blijken dat het persoonlijk stempel dat het voortbrengsel lijkt te bezitten, in werkelijkheid niet op creatieve keuzes berust (maar bijvoorbeeld is ingegeven uit didactische overwegingen). Daarop loopt deze rechtsklacht stuk.”

 

De volledige conclusie.