B9 11492. Vzr. Rechtbank Leeuwarden, 11 juli 2012, LJN: BX2239, Op="Op" Partijgroothandel B.V. tegen Op En Top V.O.F. c.s.
Merkenrecht. Gedaagde Op & Top, een ‘warenhuisformule’, maakt met het door gebruikte teken ‘Op & Top’ geen inbreuk op het door de drogisterij-franchiseformule Op="Op" Voordeelshop gebruikte beeldmerk Op="Op". Naar oordeel van de voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar Puma/Sabel, geen sprake van gevaar voor verwarring, inhoudende het gevaar van associatie, met het merk. Van het trekken van ongerechtvaardigd voordeel en van slaafse nabootsing van het merk is evenmin sprake.
Het dominerende bestanddeel "Op = Op" heeft nauwelijks onderscheidend vermogen, nu de woorden "Op = Op" in de handel algemeen worden gebruikt en bij de globale beoordeling speelt het derhalve maar een beperkte rol. Begripsmatig is er geen overeenstemming en visueel vertonen beeldmerk en teken geen significante gelijkenis. “Beeldmerk en teken hebben wel dezelfde kleuren, zwart, rood en geel, maar daarmee is dan ook alles wel gezegd.” Gelet op het geringe onderscheidend vermogen van het woordelement is de enkele auditieve gelijkenis niet doorslaggevend.
4.10. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van gelijkenis of overeenstemming tussen het door Op & Top gebruikte teken en het beeldmerk van Op = Op waardoor bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument van drogisterijartikelen verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk. Daar komt nog bij dat het assortiment en de prijsstelling van de beide winkels duidelijke verschillen vertonen. Er is derhalve geen sprake van een inbreuk die onder het bereik van art. 2.20 lid 1, aanhef en onder b BVIE valt.
4.11. Niet blijkt, noch is voldoende met gestelde feiten onderbouwd dat Op = Op in de Benelux een bekend merk is. Dat door het gebruik van het teken ongerechtvaardigd voordeel zou kunnen worden getrokken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het beeldmerk dan wel dat dit gebruik afbreuk zou kunnen doen aan dat onderscheidend vermogen of die reputatie, bijvoorbeeld door verwatering van het merk, is ook niet gebleken. Evenmin zijn voldoende concrete feiten gesteld die dat oordeel zouden kunnen dragen. De in art. 2.20 lid 1 sub c BVIE genoemde grond voor merkinbreuk doet zich derhalve niet voor.
4.12. Op = Op stelt dat Op & Top jegens haar onrechtmatig handelt door slaafse nabootsing van het beeldmerk. Dit is door Op & Top betwist. (...) Met het enkel doen van deze suggesties heeft Op = Op haar stelling dat Op & Top haar beeldmerk slaafs heeft overgenomen, niet aannemelijk weten te maken. Van onrechtmatig handelen van de zijde van Op & Top is dan ook geen sprake.
Lees het vonnis hier.