B9 11694. Gerechtshof Arnhem, 25 september 2012, LJN: BX8869, Zijlstra B.V. tegen Rolf Benz Ag & Co.Kg.
“Neemt men de voornoemde fysieke nevenschikking weg, dan vervluchtigen de verschillen en vergt het zeer nauwkeurige en herhaalde studie van de stoelen in nevenschikking, die ook een geïnformeerde gebruiker, niet zijnde een deskundige vakman, zich niet zal getroosten, voordat een afzonderlijke (afbeelding van een) stoel als een Zijlstra 3621 dan wel een Rolf Benz 7400 kan worden herkend. Deze verschillen zijn zo klein dat de inbreuk is gegeven.”
Het Hof vernietigt het vonnis waarvan beroep (Rechtbank Arnhem, 29 september 2010, IEPT20100929), maar uitsluitend waar het de proceskosten (te weinig), de maximale dwangsom en de formulering van het dictum betreft . Het hof volgt wel het inhoudelijke oordeel van de rechtbank dat Zijlstra met de Zijlstra 3621. inbreuk maakt op de model- en auteursrechten van Rolf Benz met betrekking tot de stoel ROLF BENZ 7400 (afbeelding onder). Van nietigheid van het depot is geen sprake en de verschillen tussen de stoelen zijn te klein om geen inbreuk aan te nemen.
Nietigheid: 4.7/4.8: “Dat slechts drie van de zeven door Rolf Benz als kenmerkend aangewezen elementen uit het depot kunnen worden gekend, betekent dat de beschermingsomvang van het model door (uitsluitend) de drie voornoemde elementen wordt bepaald, maar het leidt niet tot nietigheid van het depot op de met enige terughoudendheid te hanteren nietigheidsgrond van artikel 3.6 sub f BVIE.” (…) De geïnformeerde gebruiker, in hoge mate oplettend, met een hoog aandachtsniveau en waar mogelijk geneigd om de betrokken modellen rechtsreeks te vergelijken, die hier als “maatman” moet worden gehanteerd, zal zonder aarzeling de verschillen aanwijzen tussen de door Zijlstra getoonde designklassiekers die, juist voor deze gebruiker, op alle drie voornoemde punten afzonderlijk en zeker in de combinatie daarvan een duidelijk andere algemene indruk maken dan het al bestaande vormgevingserfgoed. Ook op dit punt bestaat derhalve geen grond om het depot nietig te achten)” Ook van technische bepaaldheid is geen sprake.
Inbreuk: 4.11 Wanneer de gedeponeerde stoel op de drie voornoemde kenmerken wordt vergeleken met de door Zijlstra verhandelde stoel, dit tegen de achtergrond van het aanwezige vormgevingserfgoed dat de beschermingsomvang mede bepaalt en bezien door de ogen van de onder 4.7 genoemde geïnformeerde gebruiker, dan doen de kleine verschillen van ondergeschikte betekenis niet af aan de identieke algemene indruk die beide stoelen maken. (…) Dat de geïnformeerde gebruiker de stoelen fysiek naast elkaar zal krijgen te zien, is echter weinig aannemelijk nu beide stoelen mede gelet op het grote prijsverschil voor een andere doelgroep zijn bedoeld en derhalve zelden of nooit in één winkel zullen worden aangetroffen. Neemt men de voornoemde fysieke nevenschikking weg, dan vervluchtigen de verschillen en vergt het zeer nauwkeurige en herhaalde studie van de stoelen in nevenschikking, die ook een geïnformeerde gebruiker, niet zijnde een deskundige vakman, zich niet zal getroosten, voordat een afzonderlijke (afbeelding van een) stoel als een Zijlstra 3621 dan wel een Rolf Benz 7400 kan worden herkend. Deze verschillen zijn zo klein dat de inbreuk is gegeven, ongeacht of het geharmoniseerde criterium van artikel 3.16 BVIE de grens legt bij een algemene indruk die duidelijk verschillend dan wel een die slechts verschillend is zoals Zijlstra betoogt.
4.14 De omstandigheid dat in deze procedure uitsluitend een rechtsinbreuk ter zake van de Rolf Benz 7400 is vastgesteld, brengt niet mee dat het algemene verbod zoals dat in het bestreden vonnis is uitgesproken, te ver gaat, zij het dat het, zoals Zijlstra in hoger beroep aanvoert, redelijk en wenselijk voorkomt daaraan voor de toekomst de onder 58 van de memorie van grieven voorgestelde beperking te verbinden. In zoverre slaagt grief 15. Voorts klaagt grief 16 terecht dat in het dictum kennelijk abusievelijk de passage “en/of daarmee in verwarringwekkende wijze overeenstemt” is opgenomen, nu deze betrekking heeft op de door de rechtbank verworpen grondslag van de slaafse nabootsing. Nu het partijen duidelijk moet zijn geweest dat dit deel van het dictum geen steun vond in de motivering en derhalve bij vergissing in het dictum was opgenomen en ook niet is gesteld of gebleken dat op dit onderdeel executiehandelingen zijn verricht, zal het hof het dictum aldus verstaan bekrachtigen.
1019h proceskosten hoger beroep: € 28.997,68.
Lees het arrest hier.