B9 11458. HvJ EU, 12 juli 2012, C-534/10 P,Conclusie A-G Mazák in zaak C‑534/10 P, Brookfield New Zealand en Elaris tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) en Schniga.
(Communautair) Kwekersrecht. Conclusie A-G in geschil over de beslissing van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) tot afwijzing van het communautaire kwekersrecht voor het appelras “Gala-Schnitzer”. De kamer van beroep heeft in het bijzonder geoordeeld dat het CBP niet kon toestaan dat nieuw materiaal werd overgelegd, aangezien geen gevolg was gegeven aan het individuele verzoek, waarbij het CBP had verzocht een fytosanitair certificaat over te leggen waaruit bleek dat het overgelegde materiaal virusvrij was.
Het Gerecht EU heeft die beslissing van de kamer van beroep vervolgens vernietigt. De hogere voorziening betreft in wezen de vraag of het Gerecht de omvang van de aan het CBP verleende discretionaire bevoegdheid correct heeft uitgelegd door te beslissen dat het CBP in de aanvraagprocedure voor de verlening van een kwekersrecht kon toestaan dat nieuw plantenmateriaal voor de technische keuring werd overgelegd. De conclusie van A-G Mazák strekt tot afwijzing van de hogere voorziening:
47. Zo gezien lijkt mij dat het Gerecht in de punten 63 tot en met 65 van het bestreden arrest, bij het vaststellen van de omvang van de door artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 verleende beoordelingsbevoegdheid, terecht heeft geoordeeld dat die bevoegdheid het recht voor het CBP omvat om, indien het dit noodzakelijk acht, de voorwaarden voor het onderzoek van de aanvraag voor een communautair kwekersrecht te preciseren, mits de termijn waarbinnen de aanvrager van dat recht gevolg moet geven aan het hem toegezonden individuele verzoek niet is verstreken.
48. In die context heeft het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 64 van het bestreden arrest kunnen oordelen dat het beginsel van behoorlijk bestuur en de noodzaak van een vlot en doeltreffend verloop van de procedure vereisen dat het CBP, wanneer het van mening is dat de door hem opgemerkte onnauwkeurigheid kan worden gecorrigeerd, het onderzoek van de bij hem ingediende aanvraag kan voortzetten en in dat geval niet gehouden is de aanvraag af te wijzen.
49. Ook heeft het Gerecht terecht in punt 65 van het bestreden arrest gesteld dat het een inherent vereiste van het rechtszekerheidsbeginsel is, dat aanvragers in staat moeten zijn om ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen te kennen en dienovereenkomstig maatregelen te nemen.(10) Aangezien het CBP als instantie van de Europese Unie, gebonden is aan de eisen van rechtszekerheid als algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht, kon het Gerecht, anders dan rekwiranten aanvoeren, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting stellen dat het CBP bevoegd is zich ervan te vergewissen dat zijn individuele verzoeken duidelijk zijn, en dat de aanvrager derhalve de enige verantwoordelijke is voor het niet-naleven van die individuele verzoeken.
Lees de conclusie hier.