De Hoge Raad in IE-zaken in de 21e eeuw - Waar liggen de cassatie(on)mogelijkheden in IE-zaken?

Print this page 13-09-2018
B915498

BIE, 4/2018, p. 162-173, T. Cohen Jehoram, C.A. van Staveren en R.F.C. Keijser: “De cassatieprocedure is een geheel eigen procedure, met eigen procesrecht, maar vooral ook: met eigen beperkingen. De toetsing is beperkt tot schending van het recht en verzuim van essentiële vormen. Het gaat dus, anders dan in feitelijke instanties, om de vraag of de aangevallen beslissing op juridisch juiste gronden en op een procedureel correcte manier tot stand gekomen is. Het gaat daar dus niet in de eerste plaats om de vraag of de vorderingen toe- of afgewezen hadden moeten worden. Dat maakt in cassatie relevante discussie een wezenlijk andere dan die in feitelijke instanties. Dat is in de praktijk lastig, in die zin, dat het voor de advocaat in feitelijke instanties vaak lastig is in te voelen waarom het voeren van bepaalde discussies in cassatie geen zin heeft, en de cassatiekansen zelfs kan laten slinken. Het voelt soms als het moeten vechten met één arm op de rug gebonden. In dit artikel doen wij een poging de lezer een meer concreet gevoel te geven bij de beperkingen en mogelijkheden van cassatie in IE-zaken, en bij de slagingskansen van een cassatieberoep […].

 

De Hoge Raad stelt zich terughoudend op bij het bewaken van het naleven van essentiële vormen door lagere rechters. Het overgrote deel van de motiveringsklachten wordt afgewezen (ongeveer 75% van de onderzochte klachten). Vooral op het gebied van octrooirecht en slaafse nabootsingsleer is het slagingspercentage van motiveringsklachten uiterst klein: in respectievelijk ongeveer 90% en bijna 100% van de gevallen werden motiveringsklachten ongegrond bevonden. In het auteurs- en het merkenrecht lagen deze afwijzingspercentages aanzienlijk lager: in ongeveer 70% van de gevallen werd een motiveringsklacht afgewezen. Onderwerpen waarbij de Hoge Raad hoogst marginaal toetste zijn de beoordeling van technische elementen in een auteursrechtelijk context, het onderscheidend vermogen van een merk, de uitleg van elementen van octrooiconclusies en (als gezegd) de gehele slaafse nabootsingsleer. Op al deze onderwerpen werden motiveringsklachten steevast afgewezen […].

 

Rechtsklachten hebben in de regel een hogere slagingskans in de IE-jurisprudentie van de Hoge Raad. De slagingskansen zijn bij benadering 45% in merkenrechtelijke zaken, 30% in auteursrechtelijke kwesties, en ongeveer 15% bij octrooirecht en slaafse nabootsing. De hogere percentages verbazen op zich niet: de Hoge Raad toetst rechtsoordelen immers wel volledig. Wat wel enigszins verbaast, is het serieuze verschil – ook wat rechtsoordelen betreft – tussen slagingspercentages in de auteurs- en merkenrechtjurisprudentie enerzijds, en de octrooirechtelijke jurisprudentie anderzijds. Wellicht dat het vaak hoog-technische (feitelijke) karakter van octrooizaken de Hoge Raad tot meer terughoudendheid noopt […].

 

Het onderzoek naar de IE-rechtspraak van de Hoge Raad in de 21e eeuw laat zien dat er in cassatie nog veel over feitelijke oordelen geklaagd wordt, wat maar zelden succes heeft. Wel is duidelijk dat rechts- en motiveringsklachten dicht bij elkaar liggen, en een zorgvuldige afweging van naar voren te brengen klachten dus van belang is. Tot slot lijkt het erop dat de Hoge Raad op sommige onderwerpen (zoals originaliteit in het auteursrecht, overeenstemming in het auteursrecht en het merkenrecht, en de uitleg van octrooiconclusies) eerder geneigd is de beoordeling aan de feitenrechter over te laten.  

 

Lees het volledige artikel hier.