B9 11927. Rechtbank ’s-Gravenhage (bestuursrecht), 14 november 2012, LJN BY5486, The Natural Health Company B.V. tegen de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Reclamerecht. Aandieningscriterium. Levensmiddel of geneesmiddel? In het bestreden besluit is overwogen dat de kokosolie, de High Omega Perilla en de krill-olie (de producten) geneesmiddelen zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Gmw, omdat ze gepresenteerd zijn als zijnde geschikt voor het genezen of voorkomen van een ziekte of gebrek bij de mens. Verweerder heeft eiseres, nu zij niet over een handelsvergunning voor de producten beschikte, beboet vanwege overtreding van artikel 40, tweede lid, van de Gmw, en artikel 84, eerste lid, van de Gmw. De boete bedraagt € 26.382,00.
“Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op de presentatie van de producten en de hiervoor weergegeven tekst op de informatiebladen, niet evident is dat de producten levensmiddelen zijn. Er kon dus twijfel bestaan over de vraag hoe de producten te definiëren. Verweerder heeft gelet op die twijfel derhalve terecht de hiërarchiebepaling van artikel 1, zesde lid, van de Gmw als uitgangspunt genomen. De hiërarchiebepaling uit de Gwm is gebaseerd op artikel 2, tweede lid, van de Geneesmiddelenrichtlijn en is er blijkens de zevende preambulaire overweging en de bewoordingen van artikel 2, tweede lid, van de Geneesmiddelenrichtlijn juist op gericht om, met het oog op de rechtszekerheid, twijfel weg te nemen over welke wettelijke bepalingen op een product van toepassing zijn. Dat de producten onder de definitie van levensmiddel als neergelegd in de Levensmiddelenverordening vallen, zoals eiseres heeft betoogd, betekent niet zonder meer dat ook enkel de wettelijke voorschriften van de op die verordening gebaseerde Warenwet van toepassing zijn. Dit betoog gaat eraan voorbij dat het juist niet evident was onder welke definitie de producten vielen en welke wettelijke voorschriften erop van toepassing waren, en miskent eveneens dat de producten onder meer dan één definitie te scharen zijn.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het aandieningscriterium heeft kunnen hanteren bij beantwoording van de vraag of de producten al dan niet geneesmiddelen zijn. Het aandieningscriterium vindt zijn oorsprong in artikel 1, tweede lid, onder a, van de Geneesmiddelenrichtlijn. Volgens bestendige jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) dient het aandieningscriterium ruim te worden uitgelegd en is bij toepassing ervan van belang de indruk die de wijze van aandiening wekt op de met een gemiddeld onderscheidingsvermogen begiftigde consument (vgl.HvJ EG in de zaak Van Bennekom, 30 november 1983, zaaksnummer C-227/82 , LJN BF5707, r.o. 18). Gelet op die maatstaf onderschrijft de rechtbank het standpunt van verweerder dat de producten, vanwege de hiervoor weergeven tekst op de informatiebladen, zijn gepresenteerd als geneesmiddel.
De conclusie is dan ook dat verweerder terecht de bepalingen uit de Gmw van toepassing heeft geacht en dat verweerder – nu niet in geschil is dat eiseres niet over een handelsvergunning voor de producten beschikte – bevoegd was een boete vanwege overtreding van artikel 40, tweede lid, en artikel 84, eerste lid, van de Gmw op te leggen.
Lees het vonnis hier.