B9 11760. Hof van Justitie EU, 18 oktober 2012, zaak C-402/11 P, Jager & Polacek tegen OHIM/ RT Mediasolutions.
Merkenrecht. Arrest HvJ EU in OHIM-zaak. Het geschil betreft een oppositie o.g.v. niet-ingeschreven merk Redtube tegen inschrijving van het woordmerk REDTUBE (Youtube-achtige pornosite), maar de klachten zijn louter procedureel en richten zich tegen de beslissing van het OHIM dat de oppositie werd geacht niet te zijn ingediend omdat de oppositietaks niet was betaald, terwijl het OHIM de opposant al wel had laten weten dat de procedure inter partes een aanvang zou nemen.
Het Hof vernietigt het eerdere arrest van het Gerecht, dat naar oordeel van het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling van het OHIM louter een brief was waarbij het BHIM de opposant liet weten dat de procedure inter partes een aanvang zou nemen en hem verzocht om zijn vordering aan te vullen door overlegging van bewijzen, en dat de mededeling dat de oppositie ontvankelijk was verklaard, geen definitieve standpuntbepaling van het BHIM met betrekking tot de ontvankelijkheid ervan vormde. Voor de liefhebber:
64. Uit het onderzoek van al deze bepalingen blijkt dat wanneer het BHIM de oppositie ontvankelijk verklaart, de fase inter partes van de procedure een aanvang neemt. Gedurende een termijn van zes maanden kan de beslissing waarbij de oppositie ontvankelijk werd verklaard, indien daarbij een kennelijke procedurefout is gemaakt, ambtshalve of op verzoek van een der partijen worden ingetrokken, waardoor de oppositieprocedure wordt afgesloten. Wanneer die termijn is verstreken, moet de fase inter partes van de procedure worden voortgezet en moet een beslissing worden vastgesteld.
65. In dit laatste geval kan de verwerende partij in de oppositieprocedure nog bij de kamer van beroep een beroep instellen en aanvoeren dat de oppositie niet-ontvankelijk was.
66. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat uit artikel 62, lid 1, van verordening nr. 40/94 volgt dat de kamer van beroep, na het onderzoek van het beroep ten gronde, op het beroep uitspraak doet en daarbij „de bevoegdheden [kan] uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen”, dat wil zeggen, in casu, zelf de oppositie af‑ of toewijzen, en aldus de bestreden beslissing bevestigen of ongedaan maken (arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, Jurispr. blz. I‑2213, punt 56).
67. Deze bevoegdheid van de kamer van beroep omvat tevens de toetsing van de ontvankelijkheid van de oppositie teneinde de verwerende partij in de oppositieprocedure in voorkomend geval in staat te stellen, die ontvankelijkheid te betwisten in het kader van het beroep dat zij overeenkomstig artikel 57, lid 2, van verordening nr. 40/94 kan instellen.
68. Bijgevolg blijkt de bescherming van de rechten van de verwerende partij in de oppositieprocedure te worden gewaarborgd door het mechanisme van intrekking als bedoeld in artikel 77 bis van verordening nr. 40/94 en door dat van het beroep als bedoeld in artikel 57 van deze verordening.
69. Uit al deze overwegingen vloeit voort dat de Uniewetgever enerzijds twee onderscheiden fasen in de oppositieprocedures heeft ingevoerd en anderzijds mechanismen heeft gecreëerd om de verwerende partij in de oppositieprocedure in staat te stellen, op te komen tegen de beslissing waarbij het BHIM ten onrechte de oppositie ontvankelijk heeft verklaard.
Lees het arrest hier.