De nieuwe Antipiraterij Verordening: een korte bespreking

06-01-2014 Print this page
B912690

IER 2013/6, nr. 59, p. 462-469, Frank Eijsvogels: "In aanmerking nemend dat het blijkens de definitie van ‘goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht’ op het eerste gezicht moet gaan om goederen die in de lidstaat waar deze goederen zich bevinden het voorwerp zijn van een handeling waarmee inbreuk wordt gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht in die lidstaat, rijst de vraag of de douane goederen kan tegenhouden indien die goederen in Nederland niet zijn aangegeven voor het vrije verkeer en uit de ladingpapieren blijkt dat de goederen bestemd zijn voor een geadresseerde die in een andere lidstaat is gevestigd. Stel dat bijv. een verzoek tot optreden is ingediend op basis van een Gemeenschapsmerk, in Nederland goederen worden aangetroffen onder een schorsingsregeling, en uit de ladingpapieren blijkt dat de eindafnemer gevestigd is in Duitsland. Uit nader onderzoek kan blijken dat die eindafnemer in Duitsland dezelfde of vergelijkbare goederen verhandelt en daarmee in Duitsland inbreuk op het Gemeenschapsmerk maakt, of dat de geadresseerde een vervoerder is die de goederen aan een eindafnemer dient af te leveren die in of buiten de EU gevestigd kan zijn. Het spreekt voor zich dat het antwoord op de vraag of de douane in de geschetste voorbeelden kan optreden sterk van invloed zal zijn op de effectiviteit van Verordening 608/2013.

Als de Nederlandse douane in de geschetste voorbeelden de goederen niet kan tegenhouden, zal het van groot belang zijn dat de Nederlandse douane nauw samenwerkt met de douaneautoriteiten in andere landen en, in het geschetste voorbeeld, de Duitse douane informeert en verzoekt om de goederen indien mogelijk tegen te houden indien deze in Duitsland worden aangegeven voor het vrije verkeer. Als die samenwerking goed verloopt zullen de goederen worden tegengehouden in het land waar de eindafnemer gevestigd is (aannemende dat de houder van het recht in dat land ook een recht kan inroepen) en waarin zeer waarschijnlijk met die goederen inbreuk zal worden gemaakt, en kan de rechthebbende evt. rechtsmaatregelen nemen in het land waar de inbreuk zal plaatsvinden. Indien in het geschetste voorbeeld de goederen in Nederland in het vrije verkeer worden gebracht en daarmee in Nederland geen inbreuk wordt gemaakt en wordt aangenomen dat de Nederlandse douane de goederen in dat geval niet kan tegenhouden, kan de Duitse douane de goederen niet meer uit hoofde van Verordening 608/2013 tegenhouden. Onder deze omstandigheden is de kans groot dat de houder van het recht niet kan voorkomen dat de goederen in Duitsland op de markt worden gebracht (het is immers niet gebruikelijk dat de douane de rechthebbende informeert indien goederen worden aangetroffen doch de douane besluit deze niet uit hoofde van de verordening tegen te houden). De rechthebbende kan dan zijn rechten slechts handhaven door in Duitsland rechtsmaatregelen te nemen tegen de eindafnemer. Het zal dan vaak niet mogelijk zijn om met één wettelijke procedure bij de grens de inbreuk te bestrijden; nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht zullen deze vaak worden opgesplitst en aan kleinhandelaren worden geleverd (zie de eerder aangehaalde tekst uit paragraaf 4 van de considerans)."