B9 11717. Hoge Raad, 5 oktober 2012, LJN: BW9230, Endemol Nederland B.V., SBS Broadcasting B.V. & Peter R. De Vries tegen Verweerder (thans derblijvende te Vught).
Mediarecht. Onrechtmatige televisie-uitzending. Noodzakelijkheidstoets. Portretrecht. Cassatie in de zaak van de verbeurde dwangsom (na verbod op uitzending van beelden van verweerder met een dwangsom van €15.000,- werd een gedeelte van de beelden toch uitgezonden door Peter R. de Vries, waarop in een tweede kort geding een tweede verbod met een dwangsom van €500.000,- werd opgelegd). De beelden betroffen opnamen door een jeugdvriend van verweerder met een verborgen camera tijdens acht bezoeken aan verweerder in de TBS-kliniek waarbij o.a over mogelijk onopgeloste misdrijven en over misstanden in de kliniek werd gesproken.
De Hoge Raad bekrachtigt het arrest van het Hof Amsterdam (8 maart 2011, IEPT20110308), dat oordeelde in beroep dat er geen (maatschappelijke) noodzaak was voor uitzending van de beelden om, kort gezegd, de boodschap over te brengen en wel noodzaak in de zin van art. 10 EVRM lid 2 om de vrijheid van meningsuiting van Endemol c.s. te beperken. Zo mogen Endemol en SBS bijvoorbeeld alle informatie gebruiken die is verkregen uit contacten tussen verweerder en zijn jeugdvriend, en mogen zij verweerder letterlijk citeren. “In dit licht weegt het privacybelang van verweerder ten aanzien van de wijze van openbaarmaking zwaarder dan het belang van Endemol en SBS bij de uitzending van de opnamen. (…) Niet valt in te zien dat uitzending van de opnamen in enig opzicht noodzakelijk is voor de door Endemol en SBS genoemde maatschappelijke discussie.” In het kader van de afweging van belangen is daarbij niet van belang of, naast de schending van de persoonlijke levenssfeer, tevens schending van het portretrecht aan de vordering ten grondslag wordt gelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij het oordeel de juiste maatstaf heeft gehanteerd:
3.4 Ook voor zover de onderdelen I en II aanvoeren dat het hof ten onrechte niet afzonderlijk heeft onderzocht of de onderhavige beperking van de uitingsvrijheid van Endemol, SBS en De Vries - en dus van de persvrijheid - noodzakelijk is in een democratische samenleving en proportioneel is ten opzichte van het daarmee gediende doel, falen zij. Zoals het hof in zijn hiervoor in 3.2.5.2 aangehaalde overweging heeft vooropgesteld, gaat het in deze zaak om een botsing van het recht op vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid daaronder begrepen, met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het oordeel dat het laatstgenoemde recht in het concrete geval zwaarder weegt dan het eerstgenoemde, houdt tevens in dat naar het oordeel van het hof de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid die door het opgelegde verbod wordt gemaakt, voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 10 lid 2 EVRM. Hetzelfde geldt voor de proportionaliteitstoets die ingevolge deze bepaling moet worden verricht.
3.5 Voor zover de onderdelen I en II erover klagen dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de onderhavige verboden noodzakelijk en proportioneel waren in het licht van andere, minder vergaande, alternatieven om aan de belangen van [verweerder] tegemoet te komen, voldoen zij niet aan de aan een middel van cassatie te stellen eisen omdat zij niet de vindplaatsen in de processtukken in de feitelijke instanties vermelden waarin concrete en minder vergaande alternatieven als hier bedoeld, worden genoemd en toegelicht. Overigens is de motiveringsplicht van de rechter die over de feiten oordeelt, afhankelijk van hetgeen de procespartijen hebben aangevoerd. Indien de rechter na afweging van alle terzake dienende omstandigheden van oordeel is dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in het concrete geval zwaarder weegt dan het recht op vrijheid van meningsuiting, zodat het gevraagde verbod in beginsel toewijsbaar is, hoeft hij niet ambtshalve een onderzoek te verrichten - en daarvan in zijn motivering verantwoording af te leggen - naar mogelijk minder vergaande beperkingen van het recht op vrijheid van meningsuiting die nog voldoende tegemoet komen aan de rechten en belangen van de eisende partij. Voor het overige heeft te gelden dat het oordeel van het hof berust op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.
Lees het arrest hier.