B9 11846. Rechtbank Utrecht, 14 november 2012, HA ZA 10-814, ACS Systems tegen Terwa B.V. (met dank aan Lars Bakers, Bingh Advocaten).
Slaafse nabootsing. Auteursrecht. Afneembare trekhaaksystemen. Eindvonnis in bodemprocedure. De bodemrechter volgde in het eerdere tussenvonnis het oordeel van de voorzieningenrechter dat de vormgeving van een dergelijk systeem in hoge mate technisch bepaald is en dat van inbreuk of nabootsing door Terwa geen sprake was, maar hield de zaak aan om de precieze hoogte van de 1019h proceskosten te kunnen bepalen, mede met het oog op de gestelde overlap in de kosten van het kort geding en de bodemprocedure.
Met betrekking tot de verdeling van proceskosten in de kosten waarop 1019h van toepassing is (de auteursrechtelijke vorderingen) en de kosten waarop het liquidatietarief van toepassing is (de slaafse nabootsing), oordeelt de rechtbank dat “het gewicht dat toekomt aan het gedeelte van de vordering dat is gebaseerd op de auteursrechtelijke grondslag dient te worden vastgesteld op één/tweede deel.” Van belang bij die vaststelling is dat Terwa ‘als gevolg van de wijze van procederen van ACS voornoemde werkzaamheden heeft verricht’.
Weliswaar heeft ACS haar vordering op 9 juni 2010 gewijzigd waardoor het gedeelte van de vordering dat betrekking had op het auteursrechtelijke gedeelte is ingetrokken en Terwa op dat moment nog niet haar conclusie van antwoord had ingediend, maar Terwa heeft er naar het oordeel van de rechtbank tot die tijd gerechtvaardigd vanuit mogen gaan dat ACS haar vordering mede stoelde op een auteursrechtelijke grondslag. Over de overlap in de kosten van het kort geding en de bodemprocedure oordeelt de rechtbank dat de kosten die gemaakt zijn ter voorbereiding van het kort geding en de onderhavige zaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, omdat zij een overlap wat betreft de grondslagen vertonen:
2.8 (…) Daar komt bij dat de dagvaarding in de onderhavige procedure is uitgebracht op 11 maart 2010, derhalve ruim voor de mondelinge behandeling van het kort geding, zodat ook in die zin aannemelijk is dat de werkzaamheden -verricht in voornoemde procedures- in het kader van artikel 1019h niet van elkaar re onderscheiden zijn. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat bedoelde opgevoerde kosten in het geheel worden geacht (mede) te zijn besteed aan de onderhavige zaak. De vraag in hoeverre partijen in het kader van de schikking in kort geding hebben afgesproken dat de kosten ex. Art 1019h als dan niet konden worden opgevoerd in de bodemprocedure, zal derhalve buiten beschouwing blijven. Voor de periode van na 23 maart 2011 heeft te gelden dat toen wederom de auteursrechtelijke grondslag herleefde door een eiswijziging van ACS. Terwa heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat zij na die datum wederom werkzaamheden verricht in het kader van artikel 1019h Rv.
Uitvoerbaar bij voorraad: 2.12. ACS heeft haar vordering op dit punt onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Niet gebleken is dat de financiële situatie van Terwa dusdanig slecht is dat gelet op de belangen van ACS het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard dient te worden. Dan blijft als stelling over dar ACS hoger beroep tegen het vonnis instelt, maar enkel die reden is onvoldoende om te komen tot het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis.
Aangezien een deugdelijke omschrijving ontbreekt, dienen de 1019h proceskosten geschat te worden en de rechtbank komt daarbij uiteindelijk uit op €22.093,05.
Lees het vonnis hier.