De status van de elektronische sigaret (HB)

27-06-2012 Print this page

B9 11382. Gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 juni 2012, LJN: BW8660, de Staat der Nederlanden tegen United Tobacco Vapor Group Inc.

Reclamerecht, althans definitiegeschil over de status van de e-sigaret, met alle reclamerechtelijke gevolgen van dien. De beslissing van de minister (zie B9 10606) om de e-sigaret definitief te kwalificeren als een geneesmiddel is gebaseerd op de Geneesmiddelenwet. De voorzieningenrechter (Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 13 maart 2012, B9 10929) oordeelde eerder dat die beslissing van de minister in strijd is met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel en dat het gevorderde gebod om de invoer van de e-sigaret van buiten de Europese Unie en het verhandelen daarvan in Nederland toe te staan, dient te worden toegewezen.  Het hof  bekrachtigt het vonnis, zij het dat het hof het gevorderde gebod beperkt tot alleen de producten van de United Tobacco Vapor Group.

8.5. De Staat heeft terecht opgemerkt dat UTVG in een bodemprocedure op grond van artikel 150 Rv de bewijslast zou dragen van haar stelling dat de Staat onrechtmatig handelt. UTVG heeft echter gelijk waar zij betoogt dat uit voormelde rechtspraak van het HvJ volgt dat op de Staat de plicht rust zich er zo goed mogelijk van te vergewissen (i) dat sprake is van een voldoende wetenschappelijke basis om een product als geneesmiddel aan te merken en (ii) dat een kwalificatie als geneesmiddel, welke beperkingen van het vrije verkeer meebrengt, noodzakelijk is ter bescherming van de volksgezondheid. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de Staat naar voorlopig oordeel van het hof niet aan die plicht heeft voldaan. Het hof acht voorshands niet aannemelijk geworden dat de e-sigaret van UTVG voldoet aan het toedieningscriterium van de Geneesmiddelenwet. Optreden tegen de e-sigaret door middel van voorafgaande toetsing op grond van die wet is daarom naar voorlopig oordeel in strijd met de wet en onrechtmatig jegens UTVG.

10.  Grief 6 klaagt erover dat het dictum van het bestreden vonnis te ruim is, omdat het daarin gegeven gebod tevens de e-sigaretten van andere producenten dan UTVG omvat, terwijl UTVG op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij opkomt voor de belangen van alle producten en importeurs van e-sigaretten. De voorzieningenrechter heeft daarom ten onrechte het gebod ten aanzien van de e-sigaret in zijn algemeenheid van toepassing doen zijn. UTVG heeft zich wat deze grief betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof. De grief slaagt. Het vonnis zal deels worden vernietigd, met dien verstande dat het gebod beperkter zal worden geformuleerd, zoals hierna te melden. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.
 

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover het betreft het achter het eerste gedachtenstreepje van het dictum gegeven gebod;
 
en in zoverre opnieuw rechtdoende

- gebiedt de Staat om toe te staan dat de e-sigaretten van UTVG met de merken Flavor Vapes, Vape Master, Premium, Envy en Wanna Vape van buiten de Europese Unie worden ingevoerd en worden verhandeld in Nederland, zonder dat de Staat een en ander verhindert door handhavend optreden op grond van de Geneesmiddelenwet;

[vonnis vzr: gebiedt de Staat om toe te staan dat de e-sigaret, waaronder in ieder geval de e-sigaretten van United Tobacco met de merken Flavor Vapes, Vape Master, Premium, Envy en Wanna Vape, van buiten de Europese Unie wordt ingevoerd en wordt verhandeld in Nederland, zonder dat de Staat een en ander verhindert door handhavend optreden op grond van de Geneesmiddelenwet –B9]

 
- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.

Lees het arrest hier.