De toon is zeer diffamerend

19-09-2012 Print this page

B9 11655. Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 13 september 2012, Exportslachterij Clazing B.V. tegen C. (met dank aan Martin Hemmer, AKD).

Mediarecht. Onrechtmatige perspublicatie. Exportslachterij Clazing maakt succesvol bezwaar tegen een aantal artikelen van de hand van C. , een televisiemaker, schrijver en columnist. Het eerste artikel van C., ‘Het vergif van Clazing’, betreft de stelling dat de kip van Clazing haram (onrein) voor consumptie zou zijn, een volgend artikel is een reactie op de op het eerste artikel gevolgde sommatie van Clazing.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de artikelen als perspublicatie moet worden beschouwd. “C. is weliswaar geen journalist, maar hij is met de artikelen in de openbaarheid getreden door het artikelen te publiceren op zijn websites en hiervoor aandacht te vragen bij mediasites op het internet”. De zaak wordt naar het oordeel van de vzr daarnaast gekenmerkt door de aard en de ernst van de verdachtmakingen. “Het betreft verdachtmakingen van de bereidingswijze van voedsel door een onderneming de daar al jarenlang haar bedrijf van maakt en sterk afhankelijk is van een goede reputatie.”

Naar oordeel van de voorzieningenrechter zijn de stellingen van C. grotendeels ongenuanceerd of onvoldoende onderbouwd en had C. Clazing ook in de gelegenheid meten stellen om een reactie te geven op de beschuldigingen alvorens het artikel te publiceren. Dat ook de wijze waarop de verdenkingen worden geuit bovendien “zeer stellig en zonder enig voorbehoud, zonder nadere toelichting of nuance en de toon zeer diffamerend” is en het feit dat C. zich presenteert als deskundige, doet de voorzieningenrechter oordelen dat “ook indien de uitlatingen wel voldoende steun zouden hebben gevonden in feitenmateriaal, waarvan zoals voormeld niet is gebleken, dat niet zonder meer het eventueel onrechtmatige karakter aan de uitlatingen zou ontnemen.” De voorzieningenrechter beveelt C. een rectificatie te plaatsen en de artikelen, althans links naar de artikelen, te verwijderen of opdracht te geven om de artikelen te verwijderen. De dwangsom wordt vastgesteld op €5000,- met een maximum van €100.000,-

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat er verschillende meningen zijn over de eisen die moeten worden gesteld aan het halal slachten van kippen en dat die verschillende meningen ook worden erkend. (…) Clazing heeft gesteld dat bij haar niet machinaal wordt geslacht, maar dat iedere kip individueel wordt geslacht door een praktiserend moslim, met de juiste intentie waarbij er door de slachters de ruimte wordt genomen voor gebed en het regelmatig uitspreken van het gebed. Door haar wordt niet betwist dat tijdens het bezoek door de Raad van Oelama door haar niet kon worden bewezen dat door de slachters bij iedere kip afzonderlijk het gebed werd uitgesproken, hetgeen volgens de interpretatie van de leden van deze Raad niet halal is.

4.6. De stelling van C. dat het vlees van Clazing niet aan huisdieren gevoerd mag worden is juist, indien de interpretatie van de Raad van Oelama wordt gevolgd en indien daarbij uitgegaan wordt van de stelling van C. dat volgens de islam vlees dat door mensen niet mag worden gegeten ook niet aan dieren mag worden gevoerd. Deze stelling zoals opgenomen in artikel 1 is gezien het vorenstaande echter wel zeer onvolledig nu vaststaat dat vorenstaande interpretatie niet een algemeen gedragen oordeel betreft. De uitspraak wordt echter zonder enig voorbehoud gedaan en bovendien op een bijzonder diffamerende toon.
Clazing heeft de juistheid van de overige door haar onrechtmatig geachte stellingen in de artikelen gemotiveerd betwist en een toelichting gegeven ten aanzien van de door C. genoemde incidenten die volgens haar allemaal anders zijn verlopen of anders moeten worden uitgelegd. Zij heeft deze betwisting nader onderbouwd met bescheiden. C. heeft vervolgens slechts gesteld dat die stellingen wel op waarheid berusten, maar hij deze betwisting op geen enkele wijze nader met bewijsmateriaal onderbouwd. Hij heeft weliswaar enkele passages geciteerd uit correspondentie en rapporten, waar hij naar eigen zeggen de hand op heeft weten te leggen, maar deze stukken zijn aan de wederpartij noch aan de rechtbank overgelegd. Dit had naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van C. had gelegen. De zorgvuldigheid vereist immers dat dergelijke ernstige beschuldigingen eerst worden geuit als hiervoor bewijsmateriaal is ontvangen althans, als dit niet het geval is, dat dit in ieder geval met zodanige spoed wordt opgevraagd dat het ruim voor de behandeling ter zitting had kunnen worden overgelegd. De voorzieningenrechter moet er als gevolg van het vorenstaande van uitgaan dat de beschuldigingen geen enkele steun vinden in beschikbaar feitenmateriaal.

4.7. De wijze waarop de verdenkingen worden geuit, is zeer stellig en zonder enig voorbehoud, zonder nadere toelichting of nuance. De toon is zeer diffamerend, gezien onder meer de zinsneden ‘het gif van Clazing’, ‘gillend wegrennen’, ‘doordrenkt van twijfel’, ‘de Clazingbeerput’, ‘de gifbeker moet leeg’. Partijen verschillen enigszins ‘van mening over de status van C. maar niet in geschil is dat hij zich presenteert als deskundig op het gebied van de islam en met name van het begrip halal, waarbij hij onder meer de term ‘halalpolitie’ bezigt. Het is dan ook aannemelijk althans geenszins denkbeeldig dat door de klanten van Clazíng aan de uitlatingen van C. in beginsel meer waarde zal worden toegekend dan aan uitlatingen van een willekeurige (onbekende) andere persoon.

4.8. C. had andere mogelijkheden om de vermeende misstanden bij Clazing aan de kaak te stellen, door dit bijvoorbeeld bij instanties te melden dan wel door zijn publiek op zakelijke wijze hierover te informeren. Dit betekent onder meer dat, ook indien de uitlatingen wel voldoende steun zouden hebben gevonden in feitenmateriaal -waarvan zoals voormeld niet is gebleken- dat niet zonder meer het eventueel onrechtmatige karakter aan de uitlatingen zou ontnemen. Verder had naar het oordeel van de voorzieningenrechter het nadeel voor Clazing beperkt kunnen worden als C. meer zorgvuldigheid had betracht alvorens hij de beschuldigingen had geuit. Het had op zijn weg gelegen om alvorens dergelijke ernstige beschuldigingen te uiten, Clazing in de gelegenheid te stellen om een reactie te geven op de beschuldigingen alvorens het artikel te publiceren.

4.9. Al de voormelde bijzondere omstandigheden in onderling verband en samenhang in aanmerking nemende en daarbij voormelde belangen van Clazing en C.  afwegende, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van Clazing te prevaleren boven dat van C. en heeft C. in de gegeven omstandigheden onrechtmatig gehandeld jegens Clazing. Op deze gronden is er plaats voor de na te melden beperking van zijn vrijheid van meningsuiting, die naar het oordeel van de voorzieningenrechter noodzakelijk is in een democratische samenleving in de zin van artikel 10, tweede lid, EVRM.


Lees het vonnis hier.