De uitgever moet de overeenkomst bewijzen

11-10-2012 Print this page

B9 11732. Rechtbank Amsterdam, 5 september 2012, LJN: BX9808, Auteur [A] tegen Emryss B.V. en [B].

Auteursrecht. Auteurscontractenrecht. Tussenvonnis in bodemprocedure in geschil tussen uitgever en auteur, die elkaar over en weer van wanprestatie beschuldigen. De auteur stelt dat royaltyvergoedingen niet zijn betaald en dat de uitgever een bepaald boek (Plants) niet heeft willen uitgeven (de gestelde reden voor ontbinden van de overeenkomst door de auteur), de uitgever ontkent en stelt dat de auteur zich niet aan de licentieovereenkomst heeft gehouden door over te stappen naar een andere uitgeverij.

Omgekeerde publicatie: Het vonnis volgend op dit tussenvonnis is al eerder gepubliceerd, zie vzr. Rechtbank Amsterdam, 14 september 2012, B9 11658. In dat vonnis  kreeg de uitgever de in het onderhavige tussenvonnis opgelegde dwangsommen toegewezen tot een bedrag van bijna €80.000,-.  Die dwangsommen zagen o.a. op het overtreden door [A] van het kort-gedingvonnis door een gewijzigde versie door een andere uitgever te laten uitgeven en toestemming te weigeren voor een Italiaanse vertaling. In het kort geding was geoordeeld dat, ongeacht het tussen partijen ontstane geschil, partijen gehouden waren de overeenkomsten na te komen, totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.

Uit het onderhavige vonnis blijkt dat de bodemrechter naast het opleggen van de dwangsommen, eveneens oordeelt Emryss auteur [A] royalty’s is verschuldigd (zie het vonnis van 14 september voor de verrekening), dat een door de uitgever uitgegeven herdruk niet verboden zal worden, maar  dat uitgever Emryss c.s. nader dient te bewijzen dat tussen auteur [A] en Emryss c.s. een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan auteur [A] gehouden was het werk Plants uit te doen geven door Emryss.

6.14.  Voor de vraag of Emryss een beroep kan doen op een opschortingsrecht dient eerst te worden beoordeeld of er tussen [A] en Emryss c.s. een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan [A] gehouden was het werk Plants uit te doen geven door Emryss. Emryss c.s. verwijst ter onderbouwing van haar stelling over het bestaan van een overeenkomst naar haar promotiemateriaal, maar daaruit volgt niet dat Emryss c.s. en [A] overeenstemming hadden over de uitgave van Plants en ook niet – zonder meer – dat Emryss c.s. daar gerechtvaardigd op mocht vertrouwen. Emryss c.s. draagt op dit punt de bewijslast en de rechtbank zal Emryss c.s. opdragen het bewijs van deze stelling te leveren. De rechtbank overweegt reeds thans als volgt.

6.15.  Indien Emryss c.s. slaagt in het bewijs van haar stelling en zij recht heeft op een schadevergoeding, kan zij zich – in beginsel – op opschorting beroepen. Het niet betalen van de royalty’s levert in dat geval geen tekortkoming op en [A] kan dan de ontbinding van alle overeenkomsten daarop niet baseren. In dat geval dient de rechtbank – per overeenkomst – nog te beslissen over de andere gronden voor de ontbinding (per verschillende data) en de opzegging zoals [A] die aanvoert.  Indien Emryss c.s. niet slaagt in het bewijs, volgt daaruit dat zij geen recht heeft op schadevergoeding uit hoofde van het feit dat [A] Plants door een andere uitgeverij heeft laten uitgeven. In dat geval is de ontbinding van de overeenkomsten tussen [A] en Emryss c.s. per 30 maart 2010 gerechtvaardigd. De verdere stellingen die [A] ten grondslag heeft gelegd aan de ontbinding behoeven dan geen behandeling.

Lees het vonnis hier.