B9 11925. Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 december 2012, KG ZA 12-1165, Delaval Holdong AB tegen Boumatic Robotics B.V. (met dank aan John Allen, Paul van Dongen, Chantal de Waal, NautaDutilh).
“De voorzieningenrechter gaat er daarom vooralsnog vanuit dat er in het onderhavige geval, waarin een voorlopige maatregel wordt gevraagd met werking buiten Nederland (uitsluitend) tegen een niet in Nederland gevestigde partij onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vereiste reële band aanwezig is.”
Octrooirecht (kort geding). Grensoverschrijdende bevoegdheid. Eiseres Delaval is houdster van een EP m.b.t. een ‘rek voor het vasthouden van speenkommen’ in melkmachines en stelt dat gedaagde Boumatic met de verhandeling van haar melkmachines inbreuk maakt op het EP en parallelle octrooien (Zweden, VS, Japan). De rechtbank wijst de vorderingen af en, processueel wellicht interessant, verklaart zich (onder verwijzing naar Solvay/Honeywell) onbevoegd om kennis te nemen “van de al dan niet provisionele (reconventionele) vordering tot het gelasten van voorlopige maatregelen voor zover deze werking zouden moeten hebben buiten Nederland.”
Een provisoneel inbreukverbod voor de duur van het kort geding voor Nederland en andere relevante landen werd bij mondeling vonnis, uitgesproken ter zitting, al afgewezen, omdat de geldigheid niet zodanig duidelijk was dat al ter zitting, zonder verder onderzoek, een verbod met dergelijke verstrekkende gevolgen kon worden gegeven.
Met betrekking tot het EP oordeelt de voorzieningenrechter in het onderhavige vonnis dat het aannemelijk is dat het EP ten opzichte van oudere octrooien niet inventief is, dan wel dat de inventiviteit ‘voorshands ernstig in twijfel moet worden getrokken’ en dat er derhalve een serieuze niet te verwaarlozen kans is dat de ingeroepen conclusies van het EP en de parallelle octrooien in een bodemprocedure niet zullen worden geoordeeld.
In reconventie vordert gedaagde Boumatic dat het DeLaval wordt verboden om enige feitelijke of rechtmaatregel te initiëren of uit te voeren ter handhaving van het EP in Nederland, Duitsland, Frankrijk en/of Italië en/of met betrekking tot de parallelle octrooien in Zweden, de Verenigde Staten en/of Japan, totdat in een bodemprocedure door de Nederlandse rechter onherroepelijk anders is beslist of totdat door de buitenlandse rechter onherroepelijk is beslist over de geldigheid.
De bevoegdheid om het gevorderde verbod te gelasten voor Nederland is niet bestreden en met betrekking tot de internationale bevoegdheid oordeelt de voorzieningenrechter dat “onder omstandigheden de bevoegdheid om voorlopige en bewarende maatregelen te treffen worden ontleend aan artikel 31 EEX-Vo, ook al bestaat geen bevoegdheid voor het bodemgeschil (vergelijk ook HvJEU 12 juli 2012, C-616/10, inzake Solvay - Honeywell, onder 40). Volgens het arrest Van Uden - Deco-Line geldt daarvoor als voorwaarde dat ‘er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter’.” Maar:
5.4. Deze rechtbank heeft in de procedure Solvay - Honeywell onder meer met betrekking tot deze laatste voorwaarde vragen van uitleg gesteld aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft de betreffende vraag (6) onbeantwoord gelaten, maar kennelijk aangenomen dat in het voorgelegde geval aan de voorwaarde was voldaan. Dat geval betrof volgens het arrest een situatie waarin twee of meer vennootschappen uit verschillende lidstaten in een procedure aanhangig voor een gerecht van een van die lidstaten, ieder afzonderlijk worden beticht van het plegen van inbreuk op hetzelfde nationale deel van een Europees octrooi zoals dat van kracht is in weer een andere lidstaat, wegens het verrichten van voorbehouden handelingen met betrekking tot hetzelfde product. Een dergelijk geval doet zich in dit kort geding niet voor (al niet omdat sprake is van slechts één gedaagde partij die niet in Nederland is gevestigd) en het arrest geeft daarom onvoldoende houvast voor de beoordeling van de bevoegdheid in dit kort geding.
5.5. Het stellen van nadere vragen van uitleg aan het Hof van Justitie ligt gezien het voorgaande in de rede, maar het spoedeisende karakter van de gevorderde maatregelen verzet zich daartegen. De voorzieningenrechter gaat er daarom vooralsnog vanuit dat er in het onderhavige geval, waarin een voorlopige maatregel wordt gevraagd met werking buiten Nederland (uitsluitend) tegen een niet in Nederland gevestigde partij onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vereiste reële band aanwezig is.
Lees het vonnis hier.