B9 11524. Rechtbank ’s-Gravenhage, 1 augustus 2012, 410582/HA ZA 12-55 Koninklijke DSM N.V. en DSM IP Assets B.V. tegen X, Arnold & Siedsma B.V. en Translatech Vertaalbureau B.V.
Vonnis in incident. Inzage artikel 843a Rv. DSM was houdster van Europees octrooi EP 0619947 B1 voor het mengen van gist met processing aids. DSM heeft X, destijds partner bij A&S, ingeschakeld om haar bij te staan in een appelprocedure na herroeping van het octrooi in oppositie. Daarbij is een beroepsfout gemaakt waardoor de herroeping van het octrooi definitief is geworden. Bij vonnis van 15 december 2010 (IEPT20101215) heeft de rechtbank aansprakelijkheid van A&S, X en Translatech vastgesteld en hen veroordeeld tot vergoeding van de door DSM ten gevolge van de beroepsfout geleden schade, nader op te maken bij staat. DSM vordert in onderhavige schadestaatprocedure hoofdelijke veroordeling van A&S en X tot betaling van de begrote schade van € 1.587.789 en Translatech tot betaling van de helft van dat bedrag. A&S vordert in incident op grond van artikel 843a Rv veroordeling van DSM tot het verstrekken van verschillende bescheiden. DSM verzet zich tegen de vordering.
De rechtbank wijst de vordering in beperkte mate toe:
4.5 A&S c.s. heeft er gezien de door DSM gehanteerde berekening van de schade belang bij vast te stellen of de koopprijs met Gilde inderdaad op de door DSM gestelde wijze is bepaald. Dit belang is als een rechtmatig belang als vereist door artikel 843a Rv aan te merken, ook al heeft A&C c.s. in deze procedure de stelling vooralsnog niet betwist. De inzage moet haar nu juist in staat stellen vast te stellen of er reden is de stelling te betwisten. De door DSM genoemde alternatieven voor inzage komen aan dit belang onvoldoende tegemoet. Voorts bestaat tussen partijen de vereiste rechtsbetrekking, namelijk de schadevergoedingsverplichting die op A&C c.s. rust als gevolg van de in het vonnis van 15 december 2010 vastgestelde beroepsfout. Aan inzage staat tot slot niet in de weg dat A&S c.s. niet zelf partij is bij de koopovereenkomst met Gilde. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het huidige artikel 843a die eis voor een geval als het onderhavige niet stelt. Verwijzend naar een procedure waarin een partij de met een derde gesloten koopovereenkomst niet in het geding wilde brengen, wordt in de memorie van Toelichting namelijk opgemerkt: ‘op grond van de thans voorgestelde aanvulling van artikel 843a zal de wederpartij, met een beroep op haar belang om (tegen)bewijs te kunnen leveren, kunnen vorderen dat de koopovereenkomst in het geding wordt gebracht’.
4.6. Dat de koopovereenkomst een geheimhoudingsclausule zou bevatten die DSM zou beletten informatie te verstrekken zonder dat daarvoor een wettelijke verplichting bestaat (vergelijk pleitnota onder punt 38), is geen gewichtige reden om niet aan de vordering te voldoen omdat zij de informatie verstrekt op rechterlijk bevel en nadat is vastgesteld dat een wettelijke verplichting bestaat. Als daarvoor gronden aanwezig zijn kan DSM toepassing van artikel 29 lid 1 onder b Rv vorderen.
Lees het vonnis hier.