De waardeloos geworden auteursrechten op dierenporno

09-01-2013 Print this page
B912015

Rechtbank Den Haag, 9 januari 2013, LJN: BY8017, Eisers tegen Ministerie van Justitie. 

Auteursrecht, althans auteursrechtelijk componentje in zaak over dierenporno. Geen compensatie voor schade door verbod dierenporno. 

Eisers, dierenpornofilmproducenten,  stellen dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt door de Wet houdende strafbaarstelling van het plegen van seksuele handelingen met dieren en pornografie met dieren in te voeren zonder dat in de Wet is voorzien in een overgangsbepaling en een compensatieregeling.  De Staat zou zo onder meer in strijd handelen met de in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM vastgelegde bescherming van eigendomsrechten, waaronder eisers o.a. ook de (waardeloos geworden) auteursrechten en de exploitatierechten op door haarzelf vervaardigde (ongeveer zevenduizend) dierenpornofilms rekenen.

De vorderingen worden afgewezen. Van eisers kon worden verwacht dat zij zich instelden op het ondernemersrisico dat de reeds geruime tijd vóór 2004 omstreden branche waarin zij werkzaam waren, zou worden getroffen door beperkende overheidsmaatregelen. Over de auteursrechten stelt de rechtbank daarnaast dat  “Ook de overige feiten waarop eiseres 1 en eiseres 2 hun “eigendom” baseren, onvoldoende zijn toegelicht. Uit hun stellingen kan niet worden afgeleid dat – de Wet weggedacht – de exploitatierechten van eiseres 1, die volgens hen in 99% van de gevallen van vóór 2007 dateren, en de gepretendeerde auteursrechten van eiseres 2 op door haarzelf vervaardigde dierenpornofilms (nog) enige waarde vertegenwoordigden. Ook op dit punt ontbreekt elke toelichting. Dit is temeer relevant, nu in het eerder genoemde nieuwsbericht van 4 februari 2010 te lezen valt dat eiseres 2 zelf geen dierenpornofilms maakt en slechts dierenpornofilms (via internet) verkoopt.”  Maar zelfs als dat anders zou zijn, zouden de vorderingen van eisers naar oordeel van de rechtbank niet kunnen slagen: 

4.7.  Ten overvloede geldt nog het volgende. Ook als wel zou moeten worden uitgegaan (i) van eigendom van [eiseres 1] en [eiseres 2], (ii) van regulering van zodanige eigendom en (iii) van daardoor ontstane schade, kan niet worden geconcludeerd dat er geen “fair balance” is tussen het algemeen belang dat met deze wetgeving is gemoeid en de individuele rechten van [eiseres 1] en [eiseres 2]. In dit verband is van overwegend belang, zoals de Staat terecht betoogt, dat [eiseres 1] en [eiseres 2] de in de Wet opgenomen verboden redelijkerwijs hadden behoren te voorzien als gevolg van de reeds onder 4.5 weergegeven maatschappelijke ontwikkelingen. Van [eiseres 1] en [eiseres 2] kon worden verwacht dat zij zich instelden op het ondernemersrisico dat de reeds geruime tijd vóór 2004 omstreden branche waarin zij werkzaam waren, zou worden getroffen door beperkende overheidsmaatregelen. Nu uit de stellingen van [eiseres 1] en [eiseres 2] moet worden afgeleid dat zij zich daarop niet hebben ingesteld door bijvoorbeeld hun bedrijfsvoering te diversifiëren of hun productiemiddelen op een andere wijze in te zetten, kan niet worden gezegd dat de Staat op het punt van de hier vereiste “fair balance” buiten zijn beoordelingsmarge is getreden door een compensatie voor [eiseres 1] en [eiseres 2] achterwege te laten.

Lees het vonnis hier.