Dirk Visser (Visser Schaap & Kreijger & Universiteit Leiden): "Het Nederlandse bedrijf Rumag zette IK.GELOOF.IN.JOU.EN.MIJ. op een T-shirt. Mag dat? En mag Arjen Lubach daar een parodie op maken? Wat zijn de juridische normen ten aanzien van ‘jatten van teksten’ om deze op truien en T-shirts? Op zondag 29 maart 2020 beschuldigde televisiepresentator Arjen Lubach het bedrijf Rumag ervan teksten van anderen te ‘jatten’ en deze, voorzien van puntjes tussen de woorden, op truien en T-shirts af te drukken en voor grof geld online te verkopen. Rumag zou daarbij in veel gevallen ten onrechte de indruk wekken dat het de teksten zelf had bedacht. Bovendien zou Rumag bij de verkoop van een bepaald T-shirt het publiek misleiden over de prijsststelling en het gedeelte van de opbrengst dat aan het Rode Kruis zou worden gedoneerd.
Hoe zit dat auteursrechtelijk?
Beschermd?
Is dit soort teksten − kijk op https://rumag.nl/ en zie bijgaande afbeelding voor enkele voorbeelden − auteursrechtelijk beschermd? 
We kijken eerst naar de teksten zelf, dus niet naar de opmaak en het gebruik van punten tussen de woorden. Teksten zijn auteursrechtelijk beschermd als ze aan twee vereisten voldoen. Ze moeten 1) een ‘eigen, oorspronkelijk karakter’ hebben én ze moeten 2) ‘het persoonlijke stempel van de maker dragen’. Dat eerste betekent dat de vorm niet mag zijn ontleend aan het werk van een ander. Het tweede betekent dat het (daarbovenop) blijk moet geven van een zekere mate van creativiteit van de maker.
Creatief?
Het tweede vereiste van ‘creativiteit’ is en blijft altijd lastig omdat het subjectief is: wat is (voldoende) creatief? Nu is de creativiteitsdrempel best laag, maar korte, alledaagse teksten die iedereen had kunnen bedenken én die gebruikelijk zijn in een bepaalde situatie, zijn in ieder geval niet creatief. Dat geldt zeker voor teksten als “mag ik naar huis?” en “wat een kutfeest”, maar ook voor “doe op z’n minst alsof je het leuk hebt”. De tekst “je staat zo strak als deze ballon” is niet gebruikelijk en zou misschien voldoende creatief kunnen zijn, daar kun je over van mening verschillen.
[...]
Bestond het al?
Het eerste vereiste voor auteursrechtelijke bescherming, ‘niet ontleend’ is iets makkelijker toe te passen dan de ‘creativiteits-eis’. Daarbij moet ten eerste bewezen worden dat iets al bestond voordat degene die pretendeert auteursrecht op een tekst te hebben die tekst heeft gemaakt. Als dat het geval is wordt het twijfelachtig of van auteursrecht van die ‘tweede maker’ sprake is. Wel moet nog bewezen worden dat die ‘tweede maker’ de tekst ook heeft ontleend aan de oudere tekst. Maar daar geldt in beginsel een omkering van de bewijslast. De ‘tweede maker’ moeten bewijzen dat hij het niet heeft ontleend. En dat is heel lastig, zeker als blijkt dat de eerdere tekst ergens op internet te vinden is. ‘Iedereen’ heeft tegenwoordig internet en het is heel lastig te bewijzen dat je iets niet (onbewust) hebt gezien op internet. Ook als iets in een andere taal ergens al online staat, zeker in een taal die veel mensen beheersen, wordt het lastig om te bewijzen dat een tekst niet is ontleend. Daarmee is het vereiste van ‘niet ontlening’ de eerste en belangrijkste horde voor auteursrechtelijke bescherming van teksten.
[...]"
Het volledige artikel is op Mr. te lezen. Het volledige artikel mét voetnoten kan via deze link geraadpleegd worden.