Tijdschrift voor auteurs-, media- en informatierecht, 2018/1, p. 19-25, A.A. Quaedvlieg: "Het meest in het oog springende euvel van de panoramavrijheid is dat er een evidente discrepantie is tussen de inhoud van de wettekst en de door de minister verschafte ratio. De ratio is innerlijk billijk en consistent; de wet daarentegen is (behalve, in de ogen van deze auteur, niet billijk) niet consistent met die ratio.
Nederland heeft de door art. 5, lid 5 geëiste toepassing van de driestappentoets niet in de wet geïmplementeerd. De wetgever was van mening dat het geen verschil maakte, en in beginsel kan men hem daarin bijvallen. Dat geldt temeer nu aannemelijk is dat ook bij de Europese wetgever de 'interpreterende' toepassing voor ogen stond van de driestappentoets. Maar bij vooromschreven toepassing van de eerste stap gaat de toetsing verder. Zij treedt buiten het door de wetgever verschafte kader. Zij mondt uit in een 'veroordeling' van art. 18. De rechter stelt zijn oordeel tegenover dat van de wetgever; de toepassing is corrigerend. Of de Nederlandse wetgever ook een dergelijke toepassing voor ogen had toen hij ervan uitging dat de driestappentoets hoe dan ook gold, is een open vraag. Het verdient daarom de voorkeur de huidige eis dat het werk moet worden afgebeeld "zoals het zich daar bevindt", zoveel mogelijk te lezen als: "zoals het zich bevindt in het (ruime) straatbeeld"."