Een niet-vreedzame coëxistentie

29-06-2012 Print this page

B9 11402. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 26 juni 2012, LJN: BW9905, Maximus Security B.V. tegen Maximum Security B.V.

Handelsnaamrecht, althans uitleg van co-existentie overeenkomst na handelsnaamrechtelijk geschil. Maximum en Maximus exploiteren allebei een beveiligingsbedrijf. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de door ieder van hen gevoerde handelsnaam en mede om dat geschil op te lossen hebben zij in 2009 een co-existentieovereenkomst gesloten. Maximum stelt nu dat het de bedoeling van de overeenkomst was dat Maximum altijd zou worden benaderd door Maximus zodra er behoefte bestond aan inhuur bij Maximus. Dat is naar mening van Maximum echter niet gebeurd en Maximum heeft de co-existentieovereenkomst ontbonden en Maximus aansprakelijk gesteld voor de door Maximum geleden schade. De vraag is of dat terecht was. Anders dan de rechtbank beantwoordt het Hof die vraag ontkennend:

4.5.11. De slotsom is dat het hof de overeenkomst van 6 april 2009 zo uitlegt, dat partijen niet zijn overeengekomen dat Maximus Maximum steeds als eerste diende in te huren en dat wel tussen hen is afgesproken dat Maximus de bedoeling had Maximum zodanig vaak in te huren dat Maximum daaruit een substantiële omzet zou behalen. Omtrent de grootte van die omzet zijn tussen hen geen afspraken gemaakt. De toezegging van Maximus kan echter niet als volledig vrijblijvend worden aangemerkt.

(…) 4.6.4.De rechtbank heeft geoordeeld dat Maximus is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis om Maximum substantieel in te huren en dat voor de periode tot 9 april 2010 sprake was van blijvende onmogelijkheid in de zin van artikel 6:265 lid 2 BW. Het hof deelt dat oordeel niet. Weliswaar had Maximus Maximum op dat moment pas beperkt ingehuurd, maar gesteld noch gebleken is dat de inhuur gelijkmatig over het jaar diende plaats te vinden. Van een fatale termijn voor het inhuren was dus geen sprake. Door Maximum in het resterende deel van 2010 in voldoende mate in te huren zou nog een substantiële inhuur kunnen worden bereikt. De brief van 29 maart 2010 kan niet worden beschouwd als ingebrekestelling. Deze brief bevat een aansprakelijkstelling en een verzoek om een bevredigende inhoudelijke reactie binnen 5 dagen, niet een aanmaning met een redelijke termijn voor nakoming. Maximus is daarom niet in verzuim geraakt. Dat leidt tot de conclusie dat de buitengerechtelijke ontbinding van Maximum van 9 april 2009 geen doel treft.

4.8.Het vorenstaande betekent dat het vonnis zal worden vernietigd, omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Maximum de overeenkomst terecht heeft ontbonden. Dat geldt evenzeer voor het daarop voortbouwende oordeel dat de vordering van Maximus tot verklaring voor recht niet toewijsbaar is. De rechtbank dient alsnog te beslissen over de door Maximum gevorderde partiële ontbinding en de door haar gevorderde schadevergoeding. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank om met inachtneming van dit arrest te beslissen.

Lees het arrest hier. Eerder arrest in kort geding: Hof Den Bosch, 31 augustus 2010, IEPT20100831.