EHRM: Russische verkiezingswet legt persvrijheid in verkiezingstijd onnodig aan banden

15-03-2017 Print this page
B915199

EHRM, 21 Februari 2017, Orlovskaya Iskra v Rusland, appl. No. 42911/08

 

Publicatie. Orlovskaya Iskra is een persbedrijf is in Orel, Rusland. Een aantal weken vóór de Russische parlementaire verkiezingen van december 2007 plaatste Orlovskaya Iskra twee kritische krantenartikelen over beweerdelijk machtsmisbruik door de gouverneur van Orel, Yegor Stroyev van de politieke partij Verenigd Rusland. Deze partij is gelieerd aan Vladimir Poetin. Het verkiezingscomité in Orel liet de artikelen onderzoeken door een werkgroep, die concludeerde dat ze een politiek doel hadden. Volgens de Russische verkiezingswet mogen media in verkiezingstijd geen politieke campagne-uitingen publiceren die niet door een bij naam genoemde politieke partij worden betaald. De krantenartikelen van Orlovskaya Iskra riepen niet op om niet op Stroyev te stemmen, maar waren duidelijk anti-campagne volgens de werkgroep. Aangezien ze ook niet waren voorzien van de naam van een politieke partij of daar überhaupt door waren gefinancierd, was sprake van schending van de verkiezingswet. De krant kreeg daarom een boete opgelegd. Orlovskaya Iskra heeft tegen die boete beroep aangetekend bij de rechter, maar dit had geen succes. Ook in alle latere instanties, tot aan het Russische Hooggerechtshof, bleef de uitspraak en de boete van 35.000,- roebel staan. 

 

Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt Orlovskaya Iskra dat de artikelen dienden om de kiezer te informeren. Rusland zou met de oplegging en instandhouding van de boete in strijd handelen met de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van meningsuiting. Het EHRM stelt voorop dat de vrijheid van meningsuiting, vrije verkiezingen en de vrijheid van politiek debat in het bijzonder aan de basis liggen van ieder democratisch systeem. Volgens het EHRM is het juist in verkiezingstijd belangrijk dat meningen en informatie kunnen worden uitgewisseld (verstrekt en ontvangen). Weliswaar mogen er in de periode voorafgaand aan verkiezingen beperkingen gesteld. Op grond van artikel 3 van het eerste protocol bij het EVRM hebben staten immers de vrijheid om hun verkiezingen naar eigen inzicht in te richten, waarbij staten een brede ‘margin of appreciation’  hebben. Deze margin of appreciation is breder dan die bij artikel 10 EVRM, maar mag alsnog niet leiden tot vergaande beperking van de politieke uitingsvrijheid. Bovendien is volgens het EHRM de smallere ‘margin of appreciation van artikel 10 EVRM hier wél van toepassing. Immers, de artikelen bevatten normaal journalistiek werk en vallen binnen de vrijheid om informatie te verstrekken. Het zwaarwegende belang van het publiek om deze informatie te ontvangen en de rol van de pers als waakhond van de democratie, laten weinig ruimte voor beperkingen.

 

Het EHRM concludeert dat Russische verkiezingswet, die vaag is en voor ruime interpretatie vatbaar is, de persvrijheid in verkiezingstijd onnodig zwaar aan banden legt. Er is sprake van onrechtmatige inmenging van de Russische staat. Door Orlovskaya Iskra te beboeten heeft Rusland artikel 10 EVRM geschonden.

 

Lees het arrest hier.