EHRM: Veroordeling journalisten wegens satirische artikelen over politicus schendt artikel 10 EVRM

Print this page 01-12-2017
B915203

EHMR, 24 april 2017, appl. No. 8918/05, Grebneva en Alismchik v Rusland

 

Publicatie. Tijdens de Russische parlementaire verkiezingen in 2003 heeft de krant Arsenyevskiye Vesti uit Vladivostok een aantal satirische artikelen gepubliceerd waarin het populaire online stripfiguur Masyanya werd ‘geïnterviewd’. Masyanya, in de artikelen als prostituee voorgesteld, was naar Vladivostok gereisd om daar de verkiezingen waar te nemen. In het ‘interview’ vertelt ze hoe ze in gevecht was geraakt met Vasilinka, een ‘weerwolf-prostituee’ die een escortservice runt maar ook uitgebreide werkervaring als aanklager zou hebben. In het volgende artikel volgt een ‘interview’ met Vasilinka, waar deze met gebruik van scheldwoorden en straattaal de verkiezingen, diverse misstanden en politici bespreekt. Bij het artikel is een afbeelding gevoegd van een vrouwenlichaam bedekt met een één-dollarbiljet en het gezicht van de heer V. De heer V., politicus en aanklager, heeft naar aanleiding van de artikelen een klacht ingediend. De journalisten in kwestie zijn daarna strafrechtelijk vervolgd wegens belediging en beschadiging van de eer en waardigheid. De rechter veroordeelde hen tot het betalen van 30.000,- roebel aan schadevergoeding , waartegen zij tot in laatste instantie zonder succes in beroep zijn gegaan. De journalisten hebben de gang naar het EHRM genomen. Zij stellen dat de veroordeling inbreuk maakt op hun vrijheid van meningsuiting en persvrijheid als beschermd door art. 10 EVRM.

 

Het EHRM stelt voorop dat bij perspublicaties die kwesties van algemeen belang aangaan, de vrijheid van journalisten zwaar weegt. Dit leidt tot een smalle ‘margin of appreciation’. Verder overweegt het EHRM dat journalistieke stijlvormen, zelfs wanneer die zich kenmerken door grof taalgebruik of ‘slang’, vallen onder de uitingsvrijheid. Beledigende taal kan wel buiten de bescherming van de uitingsvrijheid vallen indien sprake is van denigreren met als enig doel het beledigen van een persoon. Het EHRM oordeelt hiernaast dat de politieke kandidaten meer moeten kunnen verdragen in verkiezingstijd. Of de publicatie louter beledigend is, moet worden beoordeeld aan de hand van een onderzoek naar de ideeën die de journalisten hebben willen uitdrukken. De rechters hebben volgens het EHRM geen rekening gehouden met de sociaalpolitieke context waarin de artikelen zijn geplaatst en hebben niet onderzocht of er een algemeen belang in het geding was. Ook werd de satirische aard van de publicatie en de onderliggende ironie niet in aanmerking genomen. Ten slotte hebben de rechtbanken niet het recht van De heer V op zijn reputatie afgewogen tegen de vrijheid van meningsuiting van verzoekers en hun plicht als journalisten om informatie van algemeen belang te verstrekken. De veroordeling was onder deze omstandigheden niet proportioneel. Rusland heeft derhalve art. 10 EVRM geschonden.

 

Lees het arrest hier.