Equivalentie in het EOV octrooirecht: een rechtsvergelijkende wandeling

24-10-2013 Print this page
B912581

Bruno de Vuyst (Janson Baugniet), Equivalentie in het EOV octrooirecht: een rechtsvergelijkende wandeling.  

"Hoe moet men dan de interpretatie in verband met de reikwijdte van een octrooi en de inbreuk per equivalentie interpreteren? De eerste zin van het Protocol, artikel 1, is duidelijk. Een letterlijk volgen van de conclusies alleen is niet behoorlijk. De conclusies enkel als richtlijn gebruiken is eveneens onbehoorlijk. Tussen beiden vraagt het Protocol een Boeddhistische middenweg te vinden, die, Gautama indachtig, geen rechte lijn is, maar een slingerend pad tussen twee uitersten. Wat daarvan te maken zonder in rook en theologische bespiegeling op te gaan?

De Duitse rechtspraak had reeds een pre-EOV traditie die stoelde op het idee van een algemeen uitvindingsconcept, zeg maar: wezensleer. De komst van het EOV en het EOB octrooi vereisten echter geen radicale ommekeer en de Duitse octrooiwet van 1981 betekende geen moeilijke breuk met het verleden, te meer omdat de wet het aan de rechtbanken overliet om de definitie van equivalentie in te vullen (wat zij deed vanaf de Formstein beslissing in 1986). Artikel 14 van de Duitse Octrooi Wet (DOW) was ook reeds in 1978 apart geadopteerd en vereist een evalueren van de termen van de conclusies, wat inhoudt dat men daarbij eveneens de equivalente gedaanten van de uitvinding overweegt voor het vaststellen van een inbreuk .

De definitie van het BGH over wat equivalentie betekent, rekening houdend met artikel 69 EOV en in de interpretatie van het Protocol kan vrij vertaald als volgt worden samengevat: een inbreuk op een octrooi per equivalentie wordt geacht te zijn gebeurd indien een deskundige in staat is om aan de hand van zijn technische kennis (op het ogenblik van de prioriteitsdatum van het octrooi) de veranderde middelen te identificeren die zijn gebruikt in de inbreukmakende vorm en die voor hem equivalent zijn aan de oplossing door de uitvinding van het onderliggende probleem, deze identificatie mogelijk zijnde gebaseerd op het onderwerp van de octrooiconclusies, i.e. op de geoctrooieerde uitvinding als beschreven in de conclusies.

Het primaat van de conclusies is daarmee gezet, maar niet als absoluut sluitend gezet. Met elk in de octrooiconclusies beschreven technisch kenmerk, zoals dat door de deskundige met behulp van de beschrijving en de tekeningen wordt gelezen, dient rekening te worden gehouden. Vindt de deskundige dat een technische factor is vervangen, dan wordt het gewijzigde element onderworpen aan een test: is er een verschil in techniek maar zonder nieuw technisch effect dan vindt men een inbreuk per equivalentie. Het Protocol vereist dat alle vormen die de deskundige vindt, binnen of buiten de conclusies, dienen te worden beschermd. Waar het echter duidelijk is dat een octrooizoeker zekere varianten niet wilde laten beschermen, dan is het niet aan de rechtbank om dit alsnog te doen en het monopolie zo te verlenen."

Lees het artikel hier.