Geen kwader trouw voor herleven van oud Tsjechoslowaaks merk uit jaren 30
06-07-2022 Print this pageDe aanvraag van het Uniebeeldmerk NEHARA is door Kamer van beroep beoordeeld als kwader trouw, omdat verzoeker had getracht een verband te creëren tussen hemzelf en dit merk en ongerechtvaardigd voor te trekken uit de het oude Tsjechoslowaakse merk en reputatie van Jan Nehera. Het merk en de naam Jan Nehera geniet op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag hoe dan ook geen enkele rechtsbescherming. Verzoeker levert een eigen commerciële inspanning om het imago van dit merk te doen herleven en aldus op eigen kosten die bekendheid te herstellen. Geen kwader trouw.
MERKENRECHT - ABSOLUTE WEIGERINGSGROND
De kamer van beroep heeft in wezen opgemerkt dat het oude Tsjechoslowaakse merk een bekend merk was en in de jaren 30 normaal was gebruikt in Tsjechoslowakije. Zij heeft vastgesteld dat verzoeker op de hoogte was van het bestaan en de beroemdheid van zowel Jan Nehera als het oude Tsjechoslowaakse merk, dat nog een zekere overblijvende bekendheid genoot. De kamer van beroep heeft tevens aangegeven dat verzoeker had getracht een verband te creëren tussen hemzelf en dit merk. In die omstandigheden heeft zij geoordeeld dat verzoeker de bedoeling had ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de reputatie van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk. Zij heeft daaruit afgeleid dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag.
Het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera is in 2013 bij het relevante publiek volledig in de vergetelheid waren geraakt en verzoeker heeft veel inspanningen geleverd en veel tijd en geld geïnvesteerd om het merk Nehera nieuw leven in te blazen en om bekendheid te geven aan de geschiedenis van Jan Nehera en zijn onderneming.
Hieruit volgt dat verzoeker helemaal niet heeft meegelift op de vroegere bekendheid van het oude Tsjechoslowaakse merk en van de naam Jan Nehera, maar een eigen commerciële inspanning heeft geleverd om het imago van dit merk te doen herleven en aldus op eigen kosten die bekendheid te herstellen. In deze omstandigheden is het enkele feit dat is verwezen naar het historische imago van Jan Nehera en van het oude Tsjechoslowaakse merk om het litigieuze merk te promoten, niet in strijd met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel.
Door aan te geven dat hij een bloeiend merk uit de jaren 30 opnieuw heeft gelanceerd en nieuw leven heeft ingeblazen, heeft verzoeker bovendien veeleer gesuggereerd dat er sprake was van een onderbreking en dus van discontinuïteit tussen de activiteit van Jan Nehera en zijn eigen activiteit. Derhalve blijkt niet dat verzoeker opzettelijk heeft getracht een verkeerde indruk van continuïteit of vererving tussen zijn onderneming en die van Jan Nehera te wekken.
Voorts genoten het oude Tsjechoslowaakse merk en de naam Jan Nehera op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag hoe dan ook geen enkele rechtsbescherming meer ten gunste van een derde (zie punten 42 en 43 hierboven). Hieruit volgt dat de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera geen enkel recht hadden dat het voorwerp kon uitmaken van bedrog dan wel door verzoeker kon worden toegeëigend. Bijgevolg blijkt niet dat verzoeker met de litigieuze merkaanvraag het oogmerk had om de nakomelingen en erfgenamen van Jan Nehera te bedriegen of om zich hun vermeende rechten toe te eigenen.
De kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat verzoeker beoogde om ongerechtvaardigd voordeel te trekken uit de reputatie van Jan Nehera en het oude Tsjechoslowaakse merk en heeft zij daaruit ten onrechte afgeleid dat verzoeker te kwader trouw was bij de indiening van de litigieuze merkaanvraag.