Geen schending van zijn persoonlijkheidsrechten

01-08-2012 Print this page

B9 11522. Gerechtshof ’s-Gravenhage, 31 juli 2012, LJN: BX2991,  Appellant tegen Stichting Vrienden Van De Partij Van De Vrijheid (PVV).

Portretrecht. Openbaarmaking film Fitna met daarin fragmenten van televisie-interview. Appellant, een  imam in dienst van de islamitische moskee As-Sunna te Den Haag, vorderde een schadevergoeding van  € 55.000 omdat inbreuk zou zijn gemaakt op zijn portretrecht, aangezien in de film Fitna van Geert Wilders zonder zijn toestemming een fragment van een eerder uitgezonden, door hem gegeven interview is opgenomen. De vordering werd eerder afgewezen door de rechtbank Den Haag (B9 9987), omdat onvoldoende onderbouwd was waarom de gedaagde stichting verantwoordelijk zou zijn. Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

21. De enkele en niet nader uitgewerkte stelling van appellant op blz. 6 van de memorie van grieven dat 'als gevolg van zijn negatieve aanwezigheid in de film, hij op het internet met grote regelmaat is bedreigd, die het daglicht niet kunnen dragen' is onvoldoende om te kunnen aannemen dat hij door het gebruik van zijn beeltenis en uitlatingen in Fitna daadwerkelijk voldoende ernstig nadeel als in rov. 12 bedoeld heeft ondervonden. Bij gebreke aan concrete informatie over de aard en inhoud van de gestelde bedreigingen kan de ernst daarvan niet worden vastgesteld.

22. appellant heeft ten slotte een aantal stellingen betrokken die er op neerkomen dat zijn persoonlijkheidsbelangen zijn geschonden omdat hij zonder zijn toestemming en tegen zijn wil figureert in een film uit het kamp van zijn levensbeschouwelijke tegenstrever Wilders, die hem, appellant, 'bij iedere gelegenheid als zware crimineel probeert neer te zetten'.

(…) 24.   Nu appellant zich zelf met controversiële uitspraken in het publieke debat heeft begeven is - gezien de in rov. 9 neergelegde uitgangspunten - zijn onder 22 omschreven belang op zichzelf beschouwd van onvoldoende gewicht om Stichting PVV het haar door artikel 10 lid 1 EVRM gewaarborgde recht te ontzeggen om één van die controversiële uitspraken te gebruiken in haar bijdrage aan het publieke debat. In aanmerking nemende dat dit niet is gedaan in een voor appellant schadelijke context (zie rov. 20), appellant niet voldoende heeft onderbouwd dat hij daarvan anderszins nadelige gevolgen van voldoende betekenis heeft ondervonden (zie rov. 21) en zijn strikte privé-sfeer daardoor niet is getroffen (zie rov. 11), moet appellant zich dat laten welgevallen, zoals Stichting PVV onder 49 van de conclusie van antwoord heeft opgemerkt.

25.  Het voorgaande voert tot de slotsom dat de door appellant aan zijn vordering ten grondslag gelegde schendingen van zijn persoonlijkheidsrechten hetzij niet zijn komen vast te staan (zie de rovv. 11, 20 en 21), hetzij door de vrijheid van meningsuiting van Stichting PVV worden gerechtvaardigd (zie rov. 24). Die vordering is dan ook niet toewijsbaar.

Lees het arrest hier.