Gekopieerd en daarmee gereproduceerd

Print this page 29-11-2011

B9 10477. Rechtbank Amsterdam, 26 oktober 2011, LJN: BU6269, Energy Intelligence Group Inc. tegen ABN-Amro Bank N.V.

Auteursrecht. Nootwaardig vonnis. Doorzenden digitale nieuwsbrief naar collega's zonder toestemming van de uitgever is mogelijk openbaarmaking, maar levert zeker een ongeoorloofde verveelvoudiging op.

Een medewerkster van Fortis Bank heeft een abonnement op twee betaalde nieuwsbrieven van eiseres EIG (resp. USD 2.730,-- voor 51 edities van NC en USD 2.407,-- voor 52 edities)  en heeft deze nieuwsbrieven kort na ontvangst per e-mail doorgezonden aan twaalf geadresseerden binnen Fortis. ABN AMRO stelt in verweer dat bij de doorzending sprake was van een beperkte kring die niet als ‘publiek’ in de zin van de Auteursrechtrichtlijn kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt echter dat in midden kan blijven of de verspreiding heeft te gelden als een openbaarmaking, omdat de medewerkster met het doorsturen per e-mail de uitgaven “immers zonder toestemming van EIG op digitale wijze heeft gekopieerd en daarmee gereproduceerd. Hiermee is de schending van het exclusieve recht van EIG op verveelvoudiging van de nieuwsbrieven gegeven, ook indien sprake zou zijn van de door ABN AMRO bedoelde uitputting.”

Aannemelijk is dat de digitale verveelvoudiging van de nieuwsbrieven binnen Fortis (althans ABN AMRO) vaker heeft plaatsgevonden dan de twee gevallen. Bij de schadeberekening wordt daarom uitgegaan van 12 x de abonnementsprijzen. De 1019h proceskosten: minder gevorderde kosten, maar hoger dan indicatietarief: € 15.000,--.

In citaten:

4.7.  In het midden kan blijven of de verspreiding van de digitale nieuwsbrieven van EIG door [A] aan twaalf collega’s binnen de afdeling Commodities Energy van Fortis heeft te gelden als een ‘openbaarmaking’ als bedoeld in artikel 12 Aw en de Richtlijn. Met het doorsturen per e-mail van de als pdf-bestanden aangehechte nieuwsbrieven aan haar twaalf collega’s heeft [A] deze uitgaven immers zonder toestemming van EIG op digitale wijze gekopieerd en daarmee gereproduceerd. ABN AMRO heeft dit ook niet weersproken. Hiermee is de schending van het exclusieve recht van EIG op verveelvoudiging van de nieuwsbrieven gegeven, ook indien sprake zou zijn van de door ABN AMRO bedoelde uitputting als bedoeld in artikel 12b Aw. ABN AMRO heeft aldus inbreuk gemaakt op de auteursrechten van EIG en daarmee onrechtmatig gehandeld. Zij is hierdoor in beginsel schadeplichtig.

4.9. Aannemelijk is dat de digitale verveelvoudiging van de nieuwsbrieven binnen Fortis (althans ABN AMRO) vaker heeft plaatsgevonden dan de twee gevallen die EIG hebben doen besluiten om de onderhavige procedure aan te spannen. ABN AMRO heeft dit ook niet betwist. Integendeel, zij heeft onder meer betoogd dat de handelwijze van Fortis in wezen niet afweek van het ter inzage leggen van een leesmap met daarin papieren uitgaven van PIW en NC. (...).

4.12. (...) Mede gelet op het door ABN AMRO toegelichte belang van de uitgaven voor de werkzaamheden van die afdeling, het feit dat voor [A] reeds digitale abonnementen waren afgesloten en het relatieve prijsverschil tussen abonnementen en wekelijkse losse uitgaven, ligt niet voor de hand dat Fortis voor de desbetreffende medewerkers steeds losse uitgaven of artikelen had ingekocht. In dit opzicht heeft EIG haar schade, voor zover deze is gebaseerd op een vergoeding per artikel of losse uitgave, onvoldoende onderbouwd. Een en ander betekent dat zal worden uitgegaan van één uitgave van NC en PIW tegen abonnementsprijzen. Daarbij geldt een vermenigvuldigingsfactor van 12, gegeven het overeenkomstige aantal adressanten in de e-mails van [A].

4.19.  (…) Op grond van de indicatietarieven in IE-zaken behoort de procedure daarmee tot de categorie waarvoor een advocaatkostenveroordeling van € 8.000,-- (exclusief griffierechten, verschotten en BTW) het uitgangspunt is. De door EIG gevorderde advocaatkosten zijn ruim negen maal zo hoog. Bij een dergelijke afwijking van de indicatietarieven worden strenge eisen aan de motivering gesteld. Onder de gegeven omstandigheden wordt een bedrag van € 15.000,-- een passende vergoeding geacht. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank, naast de complexiteit van de zaak, onder meer dat de advocaatkosten kennelijk niet alleen betrekking hebben gehad op aspecten van intellectuele eigendomsrechten, maar voor een belangrijk deel ook op het verbintenisrechtelijke leerstuk van de wanprestatie, waarvoor geen volledige proceskostenveroordeling mogelijk is. Anderzijds is duidelijk geworden dat de internationale kant van de zaak (namelijk toepasselijkheid van Amerikaans recht) overleg met en werkzaamheden door een Amerikaanse advocaat noodzakelijk maakte.
 
Lees het vonnis hier.