Grensoverschrijdend

03-10-2011 Print this page

B9 10213. Vzr. Rechtbank Amsterdam,  Ex parte beschikking van 29 juni 2011, KG RK 11-2074, verzoeksters tegen gerekwestreerden.

Octrooirecht. Grensoverschrijdend ex parte, althans verzoek tot het leggen van beslag in Nederland  voor een vermeende inbreuk in Duitsland en ten behoeve van een voorgenomen procedure in Duitsland. De (Haagse) voorzieningenrechter (mr. Blok) stelt dat  het wenselijk zou zijn om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, maar gaat daar uiteindelijk niet toe over vanwege het spoedeisend belang, omdat het stellen van een prejudiciële vraag ook in een ex parte procedure niet verplicht is (verplichting geldt alleen bij beslissingen die niet vatbaar zijn voor hoger beroep) en omdat het wenselijker is dat de vragen worden gesteld door een van de rechterlijke instanties in een eventueel opheffingskortgeding waarin ook gerekwesteerden hun visie op dit punt naar voren kunnen brengen. De voorzieningenrechter gaat er (voorshands) van uit dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en wijst het verzoek(gedeeltelijk) toe. 

2.1. Het verzoek tot het leggen van beslag in Nederland op bewijs van een vermeende inbreuk in Duitsland roept vragen op over de uitleg van onder meer de EEX-verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken), de Handhavingsrichtlijn (richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten), de Bewijsverordening (Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken), het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de onderlinge verhouding tussen die regelingen. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat de meningen over de toepassing van die regelingen in een zaak als de onderhavige verschillen, zeker op Europees niveau, en dat er op dit punt nog geen bindende uitspraken zijn.

2.2. De genoemde meningsverschillen brengen mee dat het wenselijk zou zijn om in deze zaak prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Dat is in deze zaak echter niet mogelijk gelet op het spoedeisend belang dat verzoeksters hebben bij de verzochte maatregelen. Het feit dat op grond van artikel 700 lid 2 Rv geen hoger beroep open staat van een beschikking tot het verlenen van verlof tot het leggen van beslag, brengt ook niet mee dat in deze zaak een prejudiciële vraag moet worden gesteld. De gerekwesteerden kunnen immers wel een ander rechtsmiddel aanwenden tegen die beslissing, te weten het opheffingskortgeding (art. 705 Rv). Bovendien is de beslissing in dat opheffingskortgeding vatbaar voor hoger beroep en vervolgens cassatie. In dat licht kunnen beslagverloven niet worden aangemerkt als “beslissingen [die] volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep” in de zin van artikel 267 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De ratio van die bepaling is immers om een uniforme uitleg van het Unierecht te waarborgen en met name om te voorkomen dat zich in een lidstaat een rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van het Unierecht strookt (HvJ EG 4 juni 2002, C-99/00, Lyckeslog). In dit geval wordt die doelstelling gewaarborgd door de bevoegdheid, respectievelijk verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen van de voorzieningenrechter, het hof en de Hoge Raad in een eventueel opheffingskortgeding. Het is ook wenselijker dat vragen worden gesteld door een van de rechterlijke instanties in een eventueel opheffingskortgeding dan door de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure, omdat in een eventueel opheffingskortgeding gerekwesteerden hun visie op dit punt naar voren kunnen brengen. Dat laatste is niet mogelijk in de onderhavige procedure, vanwege de gestelde vrees voor verduistering en het op grond daarvan gehonoreerde verzoek om het verzoekschrift ex parte te behandelen (zie hierna r.o. 2.4).

2.3. Gelet op het voorgaande en op het feit dat in het kader van deze procedure moet worden beslist op basis van summier onderzoek en zonder de gerekwesteerden te horen, zal de voorzieningenrechter in deze procedure de door verzoeksters gegeven uitleg volgen en dus ervan uitgaan dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat de maatregelen in de zin van artikel 1019b Rv kunnen dienen tot bescherming van bewijs van een vermeende inbreuk op het Duitse deel van de Europees octrooien in een voorgenomen procedure in Duitsland.

2.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoeksters voldoende aannemelijk gemaakt dat er inbreuk op hun recht is of dreigt te worden gemaakt. Tevens hebben verzoeksters voldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat het nodig is de verzochte maatregel te nemen zonder de wederpartij te horen. De voorzieningenrechter zal derhalve verlof verlenen tot het nemen van monsters. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien welk belang verzoeksters hebben bij een verlof voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag en/of het maken van een gedetailleerde beschrijving van de producten, naast de toegestane monsterneming met betrekking tot diezelfde producten. Het verzoek zal dan ook worden geweigerd voor zover het conservatoir bewijsbeslag en/of het maken van een gedetailleerde beschrijving van de producten betreft.

Lees de beschikking hier.