B9 11889. Vzr. Rechtbank Almelo, 20 november 2012, LJN: BY4531, ITW Eibergen B.V. en curator tegen gedaagden.
Handelsnaamrecht. Handelsnamen in faillissementsboedel. Eiser ITW heeft een doorstart gemaakt van vier gefailleerde vennootschappen. De (in het vonnis geanonimiseerde) handelsnamen, die zich in de faillissementsboedel bevonden, zijn hierbij overgedragen aan ITW. Gedaagden hebben meegedaan aan de biedingsprocedure en verloren, waarna zij een eigen bedrijf zijn begonnen onder een overeenstemmende handelsnaam.
Volgens de voorzieningenrechter is de curator ontvankelijk in zijn vorderingen, nu hij een belanghebbende is in de zin van artikel 6 Hnw en voldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). De curator wil immers aansprakelijkheid jegens ITW en verwarring bij debiteuren (die vorderingen aan gedaagden zouden kunnen voldoen) voorkomen. Overdracht van de handelsnamen van de boedel aan ITW wordt aangenomen op grond van artikel 2 Hnw: dat alleen de activa en niet de passiva zijn overgedragen, doet daaraan niet af.
De algemeen beschrijvende woorden “Elektroburo”, “Materieel” en “Installateurs” kunnen niet worden gemonopoliseerd en verwijzen naar een deel van de dienstverlening van de betreffende ondernemingen. De combinatie met ([Y] en [Z] kan volgens de voorzieningenrechter echter wel dienen als handelsnaam. De aard van de ondernemingen is nagenoeg gelijk en zij zijn hoofdelijk actief op dezelfde (Twentse) markt; ook concrete verwarring heeft zich voorgedaan:
5.14 [Gedaagde sub 1] heeft op 29 juli 2012 de klanten van de gefailleerde bedrijven op briefpapier van [A] aangeschreven met de mededeling dat hij een doorstart zou maken. De biedingsprocedure was toen echter nog in gang. [Gedaagde sub 1] heeft hieraan meegedaan, maar heeft deze niet gewonnen. Hoewel [gedaagde sub 1] op 10 augustus 2012 op verzoek van de curator een correctiebrief aan de klanten heeft gestuurd, was de verwarring naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dat moment al gezaaid. [Gedaagde sub 1] is vervolgens met zijn zoon een eigen bedrijf onder de naam “[gedaagde sub 2]” gestart, terwijl hij zelf noch zijn zoon de achternaam “[Z]” draagt. Hoewel [gedaagde sub 1] ter zitting heeft verklaard dat hiervoor is gekozen uit eerbetoon voor [Y. Z], is dit -wat hier ook van zij- verwarrend voor het relevante publiek. Dit klemt temeer nu [gedaagde sub 1] afnemers en leveranciers op de hoogte heeft gesteld van de nieuwe adresgegevens van [gedaagde sub 2] en daarbij heeft vermeld dat [gedaagde sub 2] voorheen “[Y. Z] bv” was, hetgeen onjuist is. Voorts is gebleken dat de curator is benaderd door afnemers c.q. leveranciers van de gefailleerde bedrijven met vragen over de doorstart. De curator en ITW hebben in dit verband onder meer een mail van 28 augustus 2012 van [G] aan mr. M.S. de Waard, een kantoorgenoot van de curator, overgelegd. Ook hebben de curator en ITW een brief van het Stedelijk Lyceum van 17 september 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat zij de betaling van facturen opschort tot duidelijkheid is verkregen aan wie moet worden betaald. Tot slot acht de voorzieningenrechter relevant dat op het pand aan de [adres], het adres waar notabene [A], [D] en [C] waren gevestigd en thans [gedaagde sub 2] is gevestigd, banners hangen met de tekst “[gedaagde sub 2]” en “wij zijn terug”.
Proceskosten 1019h Rv (inclusief salaris curator): € 5882,91.
Lees het vonnis hier.